J.M. Thompson start aan een ultrarun van 200 mijl (dat is dus 320 kilometer...). Volledig gestoord. Maar blijkbaar bestaan ze, dergelijke ultralange ultraruns. Dat op zich is al een boek waard. Maar wat het boek uitzonderlijk maakt, is dat hij ondertussen verslag doet van zijn diepe depressie, verslavingen en zelfdestructief gedrag vanaf zijn 15de tot ergens in zijn dertiger jaren. En dat hij dot nietsontziend eerlijk doet, met de kennis die hij daarna heeft opgedaan: Thompson is uiteindelijk, nadat hij eindelijk, eindelijk heeft geleerd in zichzelf te geloven, psycholoog geworden. Een ervaringsdeskundige psycholoog, ultrarunner en zenboeddhist, die met enorm veel oog voor psychisch leed, in staat is om te vertellen over wat het betekent om depressief te zijn, gek te zijn, dood te willen en hoe moeilijk het is voor anderen om jou te bereiken. Want deel van het probleem is nu juist dat je zeker weet dat je het niet waard bent, dat je helemaal alleen en waardeloos in het leven staat, en dat, wat je ook doet, het allemaal zinloos is. Gelukkig heeft hij wel al die jaren een vrouw naast hem staan, die hem niet zomaar wil laten gaan. De momenten waarop ze het echt niet meer trekt, zijn de momenten waarop hij probeert te veranderen en daar uiteindelijk in slaagt. Gered ook door het hardlopen, wat dus uiteindelijk uitmondt in een bizarre onmenselijke ultrarun. Om bij het diepste deel van zijn traumatische herinneringen te komen, als de geest echt geen puf meer heeft om welke verdediging dan ook omhoog te houden. Indrukwekkend boek. Zowel voor mensen die willen begrijpen (de nadruk op willen) hoe het is om depressief te zijn, als voor mensen die een kick krijgen uit het lezen over menselijke ontberingen.