Het verhaal van de mensheid

januari 2017

Over: Yuval Noah Harari: Sapiens; A Brief History of Humankind. 2016. The Guardian

De boeken van de Israëlische wetenschapper Harari over het verleden (Sapiens) en de toekomst (Homo Deus) van de mens zijn bestsellers. Het verhaal van het eerste boek, Sapiens: Een kleine geschiedenis van de mensheid, laat zich eenvoudig samenvatten: History began when humans invented gods. Het verhaal ontspint zich in drieën:

  1. Er waren ooit vele menssoorten naast de Homo Sapiens. Uiteindelijk hebben ‘wij’ overwonnen. Niet alleen zijn de andere menssoorten verdwenen, maar overal waar wij voet aan land zetten, sterven in no-time vele grotere diersoorten uit. Dat er nog zoveel grote zeedieren zijn, komt omdat we tot voor kort niet in staat waren de zeeën echt te veroveren.
  2. Wat de mens onderscheidt van zelfs de apen: zet ons met hele grote groepen bij elkaar, en nog zijn we in staat orde te scheppen. Ons abstractievermogen in taal is daarin cruciaal: wij kunnen spreken over dingen die er niet zijn. Daardoor kunnen wij mythen scheppen. En mythen zorgen voor cultuur, voor afspraken, voor ordening van de samenleving. Een ordening die er meestal op neerkomt dat er een absolute bovenlaag van winnaars is, een middenlaag van relatief zelfstandigen en een onderlaag van slaven. Deze ordening wordt vervolgens gepresenteerd als de natuurlijke staat. Er zijn mensen die zijn nu eenmaal “hoger geboren”, “slimmer geboren”, “getalenteerder geboren”, “rijker geboren”. Geld is de grootste mythische kracht - ook volkeren die op voet van oorlog met elkaar leven, delen nog het geld als gemeenschappelijk referentiekader en kunnen zodoende producten en diensten uitwisselen.
  3. Graan en tarwe hebben ons gedomesticeerd - zij hebben ons ertoe gebracht een eenzijdig voedselpatroon te ontwikkelen, ons gevoelig gemaakt voor slechte oogsten, en ons ertoe gemotiveerd het land te ploegen, vee te houden en ons te vestigen op één plek. Een patroon dat zich nu herhaald met technologie: we vechten om olie, zijn altijd op zoek naar oplaadpunten en stemmen ons gedrag af op de beschikbaarheid van technologie.

Het tweede boek, Homo Deus: Een kleine geschiedenis van de toekomst, moet ik nog lezen. Maar de homepage van Yuval Harari geeft alvast de clue weg. Op het ‘History began when humans invented gods,’ volgt ‘and will end when human become gods.’ Op Quartz heeft Harari zelf een uittreksel gepubliceerd.

Over etudes en korte verhalen

december 2016

Al jaren verzuchten recensenten dat in Nederland het korte verhaal niet leeft. Die zucht werd alleen maar dieper nadat Alice Munro, schrijfster van uitsluitend korte verhalen, in 2013 de Nobelprijs voor Literatuur won. Vandaar misschien dat in 2015 Nederland Leest koos voor het korte verhaal, in een poging Nederland aan de verhalenbundel te krijgen. Het verhaal werd hierbij gepresenteerd als passend bij deze tijd van Youtube clips en ander kortdurend vermaak. Hetgeen mij een wat kortzichtige manier lijkt om mensen aan het lezen te krijgen: Mis je de concentratie en tijd voor een boek? Lees dan een verhaal.

Als om de belediging te verzachten, beweerden de initiatiefnemers dat een verhaal een uniek en waardevol literair genre is, met eigen spelregels en conventies. Is het verhaal, om in termen van de muziek te spreken, meer dan enkel een single van een album? Feit is dat op een enkele uitzondering na, vrijwel alle verhalenbundels geschreven zijn door mensen die vooral bekend zijn van hun romans.

Verhalen in soorten en maten

Begin 2015 begon ik aan De Man Zonder Eigenschappen van Musil. Wie aan deze roman van ruim 1300 pagina’s begint, is voor lange tijd onder de pannen. Niet alleen het enorme aantal pagina’s, maar ook de rijkdom aan ideeën is daar debet aan. Na 10 pagina’s was ik meestal wel weer even klaar met lezen en had ik ruimte nodig om te bezinnen, te ademen, te verwerken. Misschien dat ik daarom 2016 anders ben begonnen - niet 1 roman van zo’n 1400 pagina’s, maar verhalen van ergens tussen de twee en de dertig pagina’s. Het lekkere van een verhalenbundel is bovendien dat je haar kan wegleggen en dat je haar niet in een keer hoeft uit te lezen. Al is dat in de praktijk wel vaak gebeurd, waarover later meer.

De afgelopen 18 maanden heb ik de volgende bundels gelezen:

Bovendien heb ik losse verhalen gelezen van Umberto Saba, Lyndie Davis, Annie Proulx en Alice Munro en nog een aantal in De Gids. Een type dat ontbreekt in dit overzicht zijn de verhalen-romans, een reeks korte verhalen die geschreven zijn om gezamenlijk in een bundel te verschijnen en zo een kaleidoscopisch beeld bieden van het thema dat de schrijver wil onderzoeken, zoals bijvoorbeeld in enkele bundels van Margriet de Moor.

Wie de lijst bekijkt, kan zich afvragen of er wel sprake is van zoiets als ‘het korte verhaal’? Om eerlijk te zijn: nee, zoals er ook geen genre bestaat van ‘het lange verhaal’ of ‘de dikke roman’. De korte verhalen die ik heb gelezen, laten zich ruwweg in vier categorieën opdelen:

Wat opvallend is: voeg bovenstaande vier categorieën bij elkaar in een boek, en je krijgt Musil met De Man Zonder Eigenschappen. Je zou dat boek dan ook een conceptroman kunnen noemen, naar analogie van het conceptalbum, in de rockmuziek een vrij zeldzaam en inmiddels wat archaïsch verschijnsel, voornamelijk uit de tijd van de progressieve rock en zo af en toe opnieuw afgestoft.

Het korte verhaal als schnabbel

Misschien komt het omdat ik geen single-mens ben, maar het korte verhaal nodigt vooral uit om lekker door te lezen. Zoals ik van albums hou, zo heb ik ook behoefte om na het eerste korte verhaal direct het volgende te lezen. De gedachte van een kort verhaal op zichzelf boeit me niet zo.

Blijkbaar ben ik daarin niet de enige, want eendagsvliegen vind je niet onder de verhalenschrijvers. Om als zodanig de annalen in te gaan, moet je, met uitzondering van Alice Munro, minstens 1 volledige roman geschreven hebben. Het korte verhaal heeft een groot voordeel voor de schrijver: je bent eerder klaar. Het lijkt er dan ook op dat minstens een deel van de verhalen vooral broodwinning zijn, Javier Marías is daaarin heel duidelijk. Als auteur krijg je een opdracht met een thema en je kunt financieel weer even verder.

Vertellersplezier

Waar het niet alleen om de schnabbel is, zie je soms juist het vertellersplezier van de pagina’s afspatten. Schrijvers vinden het nu eenmaal leuk om woorden op papier te zetten, en voor een verhaal hoef je net wat minder research te doen en hoeven er geen plotschema’s op prikborden en koelkasten bijgehouden te worden. Dan is het korte verhaal op zijn sterkst - geen vingeroefening die je vooral doet smachten naar het hele verhaal, maar een korte flikkering van branie en brille, van vertellersplezier en vernuft.

Is het gebrek aan succes van het korte verhaal in Nederland onterecht? De vergelijking met Youtube pleit wat mij betreft in ieder geval niet voor een noodfonds voor het korte verhaal. Laten we blij zijn dat het vooral uitgewerkte en uitgesponnen romans zijn waar we in Nederland blijkbaar warm voor lopen. Ruimte en aandacht voor de karakters, voor de ideeën - dat lijken me zeer welkome antistoffen in deze tijd van altijd-aan-mediagebruik. Dus een pleidooi voor het korte verhaal? Dat lijkt me zonde van de tijd. Wat vaker een verhalenbundel kopen? Dat kan ik, gezien de enorme diversiteit en de hoge kwaliteit, zeker aanbevelen. Van je favoriete schrijver zullen zelfs zijn of haar schnabbels de moeite waard zijn.

Hila Blum’s Het Bezoek: Ode aan de middenklasse

december 2015

Stel, je komt uit het land van Amos Oz, David Grossman, Etgar Keret, Nir Baram, Meir Shalev en Hila Blum - dan heb je als literatuurliefhebber veel redenen om trots te zijn. Stel, dat land is Israel. Dan ontstaat er een ongemakkelijke situatie, kan ik me zo voor stellen. Het persoonlijke is er per definitie politiek. Of niet?

Hila BlumHila Blum’s debuut Het Bezoek is een zinderend boek over het moderne, Westerse gezinsleven van tweeverdieners met een samengesteld gezin. Het is geen Joodse roman. Het is geen Israëlische roman. Het is geen vrouwenroman. Ja, Hila Blum is een vrouw, woont en leeft in Israël en is al jaren redacteur bij een grote uitgever, waar ze onder meer Etgar Keret heeft begeleid. Of ze Joods is? Het is geen onderwerp, er zijn geen uitweidingen over Joodse feestdagen en gebruiken. Ook speelt de angst voor aanslagen nauwelijks een rol. Het enige gevaar in Het Bezoek komt consequent uit de hoek van het gezinsleven. Kinderen die op elkaar moeten letten. De buitenechtelijke liefde die op de loer ligt. De onuitgesproken verwachtingen tussen ouder en kind. Maar vooral de niet-aflatende aanwezigheid van twee volwassenen die samen de kiem hebben gelegd voor het gezin.

Blum heeft voldoende boeken geredigeerd om aan de hedendaagse verplichting te voldoen dat er een plot moet zijn. Want de suggestie van een plot geeft een verhaal energie en houdt de lezer bij de les. Meestal vind ik een plot een zwaktebod. Een goede schrijver (of bedoel ik: een goede lezer?) heeft geen behoefte aan een begin en een eind, maar dwaalt liever. Bij Hila Blum kan je beide doen. Ze heeft een aantal lijnen in de roman uitgezet, die ze stuk voor stuk keurig afhecht. De kracht en de energie van haar boek zitten echter in iets heel anders: de minutieuze beschrijvingen van situaties en de bijpassende observaties door de hoofdpersonen.

“En toen, de volgende dag, op de Pont Saint-Louis, zagen ze een magere, lange man hand in hand met een lilliputtersvrouwtje lopen, hij keek aldoor naar haar, schuin omlaag, verliefd en Nilly’s adem stokte, zo mooi en droevig vond ze het. Ook Natty stond stil, en hij zei dat het inderdaad nogal een tafereel was. Liefde, ware liefde, open en bloot. Hoogte-overschrijdende liefde. En ze voelden allebei dat hun eigen liefde misschien wat minder was. Vooral omdat ze daar zo stonden te staren, zoals je niet hoort te doen.”

Ruim vierhonderd pagina’s lang schildert Hila Blum ons in intense beelden de teleurstellingen, worstelingen en twijfels van met name Nilly, stiefmoeder van de eerste dochter van Natty en moeder van hun gezamenlijke dochter. Met liefde en humor toont Blum ons de onvolkomenheden van het leven in de 21ste eeuw. Een leven zoals zovelen van ons leven, zonder een stroom aan successen die men kan delen op social media, zonder overwinningen, en met een verlies dat klein genoeg is om een plek te kunnen geven.

Hoe was het precies? Ze gingen uiteindelijk door, maakten een ochtendwandeling, eerst langzaam lopend, nog steeds onder de indruk van de woordenwisseling op de hotelkamer (kleine, experimentele voorproefjes van de verwijten die met de tijd geperfectioneerd zouden worden: haar behoefte om elk mogelijk negatief toekomstperspectief te concretiseren; het gemak waarmee hij in plooien van ontkenning wegglijdt).

Verwacht van Het Bezoek geen grote filosofische overwegingen over de zin van het bestaan, noch het tegendeel, een romantische liefdesverklaring aan het gezin. Het is een uiterst gedetailleerde beschrijving van het liefdesleven in een gezin. Een gezin dat ook in Amsterdam had kunnen wonen. Hila Blum heeft daarmee vooral een ode aan de middenklasse geschreven.

Op Atheneum.nl is een leesfragment beschikbaar.

Violette Leduc en Frida Vogels omhelzen het waarachtige leven

december 2014

Zondagavond eindelijk de biopic Violette gekeken. Het is het verhaal van Violette Leduc, en minstens zo zeer dat van Simone de Beauvoir. Violette is de meest vrouwelijke schrijfster onder de schrijvers, niet als deuxieme sexe, juist niet, ik begrijp de fascinatie van Simone de Beauvoir voor Violette Leduc na twee dagen bezinken beter dan zondag. Violette is, gekwetst en gehavend als ze is door haar moeder, Maurice en de wereld in bredere zin, zichzelf gebleven. Ik ben wie ik ben en ik kan niet anders. Dat is wat haar boeken uitstralen en dat is wat ook de film aan boodschap heeft.

Emmanuelle Devos en Sandrine Kiberlain in de film Violette
Emmanuelle Devos en Sandrine Kiberlain in de film Violette

Daarin lijkt ze op Frida Vogels. De hele wereld kan willen dat ik anders ben — sterker nog, ik zou het zelf willen, maar ik kan niet anders zonder mezelf te verloochenen. Violette Leduc kan zichzelf aan de voeten van een man werpen, maar ze kan zichzelf niet wegcijferen. Dat maakt haar zo krachtig. Het is volgens mij deze onmacht die ze deelt met Frida Vogels. Hun boeken zijn ontluisterende portretten van eerlijkheid, en alhoewel ze beide aanschurken tegen zelfmedelij en misogynie, omhelzen ze uiteindelijk het waarachtige leven.

In hun zoektocht naar wie ze zijn, geven Violette Leduc en Frida Vogels ons de boodschap: Dit is wie ik ben, ik kan en wil uiteindelijk niet anders. Ze worstelen beide met hun vrouw-zijn, de maatschappelijke en ouderlijke verwachtingen die daarbij horen. Ik kan me niet voorstellen dat een man ‘hun’ boeken zou kunnen schrijven. Bij Voskuil en Knausgard, schrijvers die ook niet weglopen voor de strijd in een onooglijk bestaan, zie ik bijvoorbeeld toch altijd het succes in hun handelen. Als ze ervoor open staan, vinden ze erkenning en steun. Je voelt dat de wereld om hen draait. Een gevoel dat je noch bij Violette Leduc noch bij Frida Vogels bekruipt. Het lukt hen niet om zichzelf op te offeren voor de man, en dus lijkt het wel of de wereld tot stilstand komt.

Voor Simone de Beauvoir was er altijd een man, in ieder geval Sartre, waardoor de wereld haar een plek gunde. Violette Leduc wilde wel de liefde, kreeg uiteindelijk het succes, maar, zoals Simone de Beauvoir in de film ook opmerkt — je kunt geen vrienden zijn met Violette. De wereld draait om Violette, maar helaas lukt het haar niet die wereld groter te maken dan Violette alleen. Zoals ook de wereld van Frida Vogels uiteindelijk niet groter is dan haar reflectie op zichzelf.

Erkenning krijgen voor de persoon die je bent, zonder te hoeven huichelen en flemen. Dat is voor een vrouw wellicht in onze maatschappij nog moeilijker dan voor een man. Violette en Frida beschrijven wat het is om niet anders te kunnen zijn dan wie je bent. In de biopic Violette wordt dat mooi verbeeld. Al ben ik blij dat ik alle in het Nederlands vertaalde boeken van haar in de afgelopen 30 jaar heb gelezen — de biopic wint enorm aan diepte als je haar magistrale zinnen en aan zelfhaat grenzende eerlijkheid kent.

De grote vraag die rest: Komt er ooit ook een biopic over Frida Vogels? Het zou meer dan verdiend zijn. Gelukkig is in ieder geval vandaag het elfde deel van haar dagboek eindelijk ECHT verschenen (en gelijk thuis bezorgd, hulde aan Athenaeum).


Schematisch en toch goed: Sint-Juttemis van Maria Stahlie

september 2011

Jour ensoleillé à Abesses-237 Il fait chaud © Julie Kertesz, Flickr
Jour ensoleillé à Abesses-237 Il fait chaud © Julie Kertesz, Flickr

In de zomer van tropische temperaturen waaraan bejaarden massaal ten onder gaan, ontvangt Margot bericht dat haar ‘naaste naaste’, de man die ze nooit niet gekend heeft, misschien is opgenomen in een psychiatrisch hospitaal in Parijs. Er ligt daar namelijk een man in dissociatieve staat, die grote gelijkenis vertoont met de Franse acteur Christophe Darlas, de man met wie Margot van jongs af aan is opgegroeid. Of ze langs kan komen om de identiteit te bevestigen en, belangrijker, hem uit zijn comateuze toestand terug kan leiden de wereld in.

Met twee onwillige reispartners, haar schoonmoeder met wie ze nauwelijks een band heeft, en de weerbarstige, teruggetrokken puberdochter van haar man, vertrekt ze onmiddellijk naar Frankrijk. Hier probeert ze in contact te treden met Darlas. Al snel echter blijkt dat ze niet alleen niet in staat is hem te bereiken, maar ook haar schoonmoeder, stiefdochter, haar op de achtergrond opererende echtgenoot en uiteindelijk zichzelf weet ze niet werkelijk te bereiken.

In de zomer van tropische temperaturen waaraan bejaarden massaal ten onder gaan, ontvangt Margot bericht dat haar ‘naaste naaste’, de man die ze nooit niet gekend heeft, misschien is opgenomen in een psychiatrisch hospitaal in Parijs. Er ligt daar namelijk een man in dissociatieve staat, die grote gelijkenis vertoont met de Franse acteur Christophe Darlas, de man met wie Margot van jongsaf aan is opgegroeid. Of ze langs kan komen om de identiteit te bevestigen en, belangrijker, hem uit zijn comateuze toestand terug kan leiden de wereld in.

Zelden heb ik een goed boek gelezen, want dat is Sint-Juttemis zeker, dat zo simpel zijn thema prijsgeeft. Het lijkt een schematische oefening in dissociatie: hoe kan je een ander en jezelf werkelijk kennen? Wie ben ik? Wie is de ander? Het fascinerende is dat, alhoewel je in het boek continu leest over de anderen met wie Margot op reis is, ik geen moment empathie voel voor wie dan ook. Alsof het egotisme van Margot een muur opwerpt waardoor geen van de anderen heen weet te dringen. En als je eerlijk bent, zie je eigenlijk ook niemand een poging doen erdoor heen te breken, met uitzondering van Liza, de stiefdochter van 15. Bij Maria Stahlie is iedereen met zichzelf bezig, en zelfs dat gaat nog heel gebrekkig en moeizaam. Door de sfeertekeningen van Parijs, de hitte, de scherpe observaties en wrange humor, het schrijfplezier dat van de pagina’s afspat, is Sint-Juttemis echter veel meer dan een schematisch verhaal.

PS: Wie geïnteresseerd is in het lock-in-syndroom waaraan Christophe lijdt, kan niet om de film Le scaphandre et le papillon uit 2007 heen, de keuzefilm van zomergast Dick Swaab.


K. Schippers: Zilah

januari 2010

Cover Zilah Een vriendin van me is dol op hem. Zelf heb ik lang geleden maar met veel plezier Eerste Indrukken gelezen. Daarna nooit meer iets. Waarom? Ik lees buiten Geerten Meijsing, Charlotte Mutsaers en J.J. Voskuil zelden Nederlandse schrijvers. Waarom? Het herkenbare zonder verrassing — ik vermijd het graag. Het platte land, het water, de ontluistering van de fantasie, waarom zou ik armoedig vertaald lezen wat ik zo kan zien?

Een mens moet kiezen, en als er zoveel geschreven wordt, kies ik groots, kies ik Murakami, Zeh, Marai, Marias, Magris, Kertesz, Oz en tast zo zelden mis. Toen ik echter laatst wederom die vriendin gloedvol hoorde wegkruipen bij de zinnen van K. Schippers, heb ik de sprong gewaagd en ben Zilah gaan lezen, een roman uit 2002. Welke virtuositeit, welk plezier spatten daar van de pagina’s af. Niet geschikt voor mensen die rechtlijnig denken, die de Nederlandse horizon als maatstaf voor het leven hanteren. K. Schippers laat maar weer eens zien dat vooroordelen over schrijvers onbetrouwbaar zijn.

Voor wie K. Schippers’ werk goed kent, is Zilah een typische representant van zijn oeuvre: het is geen verhaal, het is een ver-taal. Dom Blondje als nieuw biermerk vormt de bijna melige deeg van een verhaal dat de klucht van de strijd over het eigenaarschap van de Nederlandse Taal combineert met het liefdesverhaal van een oudere vrouw die haar jeugdliefde laat opsporen. Hilarisch is de lijn die begint bij het ministerie van Bijzondere Zaken, waar men besluit om de Nederlandse taal aan New York uit te lenen. Romantisch is de lijn van twee kinderen die ontdekken dat ze niet alleen zijn in hun fantasie. Ingenieus is de wijze waarop taal continu met de tijd dolt.

Zilah is uiteindelijk een allegorie over het schrijverschap. Wie de macht over taal heeft, kan de dingen mooier maken. Die hoeft niet vooraf te bedenken wat zij aan moet als ze bij iemand op bezoek gaat: die kan zich verkleden op het moment dat de deur opengaat. Wie de taal bezit kan happy endings scheppen waar de werkelijkheid deze even vergeten was. Je vraagt je dan ook bijna af waarom K. Schippers van den beginne af waarschuwt voor de verantwoordelijkheid die de macht van taal met zich mee brengt. Alsof hij zich verontschuldigt voor het feit dat het Nederlands overgenomen en verdrongen wordt door het Engels en hij er niets tegen doet. Alsof hij zegt dat hij misschien het Nederlands wel zou willen redden, maar dat het teveel is gevraagd. Op briljant absurdistische wijze eindigt nu het eigendomsbewijs van de Nederlandse Taal in de passage onder het Rijksmuseum in het bezit van een buitenlandse muzikant. Daar is inderdaad weinig Nederlands aan. Zoals het hele boek zich onttrekt aan Nederland, maar des te meer vertelt over het universum van K. Schippers.


De ongeschreven leer van Geerten Meijsing

juli 2009

Nauwelijks een familie, wij twee, maar wel een gesloten front. Uit: Malocchio. Geerten Meijsing met zijn dochter
“Nauwelijks een familie, wij twee, maar wel een gesloten front.” Uit: Malocchio. Geerten Meijsing met zijn dochter

De Ongeschreven Leer van Geerten Meijsing staat al jaren in mijn boekenkast. Het werk werd, als ik mij goed herinner in onverbloemd uitgeversproza, aangekondigd als het magnum opus van Geerten Meijsing, door wie ik sinds mijn 16de enorm gegrepen wordt. Zijn melancholie en de nadruk op het esthetische, de speurtocht naar meer dan wat de wereld te bieden heeft — een overeenkomst die mij nu pas opvalt met mijn andere held van de Nederlandse literatuur, wiens geboortedatum beduidend eerder ligt, maar zijn entree in mijn wereld beduidend later, de humoristische cynicus, ambtenaar en wetenschapper, J.J. Voskuil — hebben mij telkens op mijn grondvesten doen schudden en mijn vriendin van weleer doen verzuchten: Lees je hem weer?

Toch heb ik nu pas voor het eerst De Ongeschreven Leer ook daadwerkelijk gelezen. Voorgaande pogingen strandden al na een pagina of 50. Dit keer nam ik me echter voor om én het boek eindelijk eens uit te lezen én het enorme notenapparaat links te laten liggen. Vooral dat laatste besluit heeft me erdoor heen geholpen. Maar na de bijna 500 pagina’s (halve pagina’s als je de noten vermijd), kan ik me nog niet ontworstelen aan het gevoel dat Geerten Meijsing zich met dit boek heeft vertild aan de filosofie en een boek heeft willen schrijven met dezelfde wanhoop als zijn zus Doeschka Meijsing in ‘Over de Liefde’ beschrijft, wanneer de jongste broer de hele familie op sleeptouw neemt naar het oude huis in Italië.

In een manische periode waarin de wereld verklaarbaar leek, is het stramien voor het boek opgezet, dat vervolgens in tijden van verminderde manie is uitgewerkt. De beschrijvingen van het heden zijn nog steeds briljant en vervuld van een prachtige romantiek waarin het gevoel dat de wereld aan je voeten ligt continu in gevecht is met de doelloosheid en besluiteloosheid, of noem het moedwillige inertie, van de hoofdpersonen. De Ongeschreven Leer brengt je dichter bij Geerten Meijsing, zoals dat ook geldt voor Over de Liefde van Doeschka Meijsing. Het is in die zin een persoonlijk boek. Dat persoonlijke echter wordt teveel overvleugeld door de speurtocht naar de Ongeschreven Leer van Plato, waar ik, plebejer als ik blijkbaar toch ben, volstrekt niet in geïnteresseerd ben. Waarmee het project van De Ongeschreven Leer wat mij betreft grotendeels mislukt is, maar als liefhebber van Geerten Meijsing ben ik natuurlijk opgelucht dat ik ook eindelijk dit vermeende magnum opus van hem uit mijn eigen boekenkast heb gelezen. Nu maar wachten tot een nieuw magnum opus — wat mij betreft heeft hij daar nog jaren voor om aan te werken.


Tweeslachtig gevoel bij De Pianostemmer van Pascal Mercier

april 2009

Een goede recensie draait niet om een mening of een oordeel, maar probeert betekenis te geven aan het boek dat de recensent gelezen heeft. Op deze wijze verdiept de recensie de mogelijkheden aan interpretaties van anderen. Zoals voor politiek geldt het ook voor de recensie: de kunst is het niet een mening te hebben, maar om een afgewogen mening te hebben waarin oordelen en interpretaties van anderen zijn meegewogen op een wijze die het eigen oordeel een rijkheid geeft, voorbij de waarde-oordelen van mooi en lelijk, goed en slecht. De kunst is het een recensie te schrijven die de lezer voldoende prikkelt om zelf in gesprek te gaan met het boek. Wanneer, zoals bijvoorbeeld in het geval van Leven & Lot van Vasili Grossman, mijn bewondering torenhoog is, is een recensie eenvoudig. Ik begrijp wat het boek voor mij betekenis geeft. In het geval van De Pianostemmer van Pascal Mercier ben ik er niet uit.

Ik begon met hooggestemde verwachtingen aan dit werk van de schrijver die eerder met Nachttrein naar Lissabon een prachtig werk geschreven heeft. Het verhaal had bij voorbaat al een dosis bonuspunten — ergens in de la van mijn literaire ambities ligt nog een stapel pagina’s over een pianist, waarin alles wat met pianospel, muziek en stilte een plek moet krijgen, dus ja, de pianostemmer als beroep kan me bekoren. En dan gaat het boek van Mercier ook nog eens over een gemankeerde pianostemmer die een opera wil uitbrengen, of eigenlijk, zo blijkt al snel, vooral wil genieten van het succes van de opvoering. Een verlangen met dramatische consequenties.

Aan dit thema voegt Mercier nog een tweede thema toe: dat van de incestueuze liefde van de tweeling Patrice en Patricia, die uiteindelijk voor elkaar vluchten, de een naar Chili, de ander naar Parijs. De roman bestaat uit de schriften die broer en zus aan elkaar volschrijven om elkaar eindelijk ongecensureerd de eigen, individuele, waarheid te kunnen vertellen, hetgeen wellicht een andere is dan de waarheid die ze van begin af aan als bondgenootschap samen componeerden, zoals tweelingen dat kunnen doen. Twee thema’s, één verhaal?

Steinway Patent Grand © BradburnDe Pianostemmer leest lekker weg — iedere avond een half uur voor het slapen gaan was geen probleem, waar andere boeken soms een dusdanig beroep doen op mijn hersenen dat ik na een kwartier het boek al wegleg. Lekker weg lezen is echter noch een plus- noch een minpunt voor een boek — hooguit bepaalt dit het tempo van lezen en de momenten waarop ik het ter hand neem. Belangrijker vind ik of een roman het gemakzuchtige overstijgt, of de schrijver niet gevallen is voor de sentimentaliteit van een inval, de tranen van medeleven weet te doseren of zelfs kan droogleggen om ons verder te laten kijken. In het geval van de Pianostemmer is met name het verhaal van de pianostemmer, de plot en stuwende motor achter de roman, te ‘gemakkelijk’, te bedacht: een wees die bij zijn pleegouders met de schoonheid van opera en succes in aanraking komt om vervolgens die twee onlosmakelijk met elkaar te verbinden, een vrouw die eigenlijk het ballet in had gewild, maar door pijn en morfine afglijdt naar een trieste staat van moederschap en ook als echtgenote nauwelijks geestelijk aanwezig is, en dominant op de achtergrond een beroemde operazanger die als tragisch zwaartepunt het leven van het echtpaar in zich opzuigt.

Dit verhaal neemt zeker de helft van de pagina’s voor zijn rekening, en dat zijn er teveel. Het lijkt dat Mercier het niet aandurfde een pure liefdesgeschiedenis zonder de stuwende motor van een plot op papier te zetten, en dat is jammer. Want juist de gevoelens van Patrice en Patricia voor elkaar, en de moeite die met name Patricia doet zich van Patrice te bevrijden, tillen het verhaal ver boven de middelmaat uit — daar zie ik de brille terug van Nachttrein naar Lissabon. Dat is echter te weinig om van De Pianostemmer een geslaagde roman te maken. Het verhaal zit helaas net iets te vaak de emoties in de weg. Hetgeen mijn gevoel van tweeslachtigheid waarschijnlijk verklaart.


De menselijkheid in Leven en Lot van Vasili Grossman

maart 2009

Als de sombere dagen van Geert Wilders, kredietcrisis en een stijgende vorm van nationalistisch navelstaren met de terugkomst van ‘Zeg eens A’, Bananasplit en het schaamteloos populisme van Wakker Nederland, ergens behoefte aan opwekken, is het wel aan een aangrijpende, realistische roman over die vorige periode waarvan wij op dit moment een eerste voorzichtige poging tot imitatie beleven. Over de Tweede Wereldoorlog dus, maar dan vanuit het perspectief van een schrijver van een volk dat aan de bevrijding van de Duitsers nauwelijks vreugde beleefde, aangezien de eigen tiran alleen maar sterker in het zadel was gekomen. Aan Leven & Lot dus, van de Russische schrijver Vasili Grossman. 900 Pagina’s lang (een omvang die je Russische schrijvers prima kan toevertrouwen, en in ambitie en kwaliteit een eerbetoon aan dat andere dikke boek over een oorlog, Oorlog & Vrede van Tolstoi) lopen een aantal Russische en Duitse levens door elkaar heen, en geen moment raakt de menselijkheid van het individu ondergesneeuwd onder de verschrikkelijke dagen rond de Slag bij Stalingrad (het tijdsbestek waarin de roman zich afspeelt) of de verhalen over de grote collectivisatie in 1937, waarbij miljoenen Russen om niets van het publieke toneel verdwenen om ofwel direct te eindigen in de verbrandingsoven ofwel na een periode van dwangarbeid alsnog te overlijden op de Siberische vlakte.

Leven & lot van Vasili Grossman

Wie een overzicht wil van het verhaal en de tragische publicatie-geschiedenis van dit epos, kan {–hier–} of {–hier–} terecht. Ik volsta met de hoogtepunten die Leven & Lot voor mij tot verplichte kost maken voor iedereen die met oorlogszuchtige en nationalistische retoriek probeert macht te verwerven of zich verschuilt achter leiders die de ondraaglijke onzekerheid van het bestaan trachten te bezweren met kant-en-klare oplossingen die nog nooit de wereld hebben verbeterd.

Nog nooit heb ik honger zo goed begrepen als wanneer Grossman erover schrijft. Hoe het je botten en je psyche aantast, hoe het van een normaal mens een hongerig dier maakt zonder dat je iets kan doen om je ertegen te verzetten.

Nog nooit heb ik de macht van de Staat, de groep die bepaalt hoe je moet leven, zo sterk gevoeld als wanneer Grossman over Rusland (en Duitsland) schrijft. Hoe iedereen uit zelfbehoud niet de waarheid per se geweld aandoet, als wel beaamt dat er inderdaad ook dingen zijn gezegd die misschien minder vleiend waren. Hoe de angst om opgepakt, gemarteld of gedeporteerd te worden ieder verzet de kop in weet te drukken, omdat alles wat je doet of zegt als subversief uitgelegd kan worden. Hoe ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen’ impliceert dat iedereen ergens schuldig aan is. Daden uit het verleden ten goede tellen niet als ‘ze’ met je willen afrekenen. En aangezien het de machtshongerigen, de bureaucraten en beulen zijn die aan de macht komen in zo’n systeem, weet je nooit wanneer het jouw beurt is.

En zelden heb ik zo’n afgrijselijke voettocht de gaskamer in gelezen als in Leven & Lot, waar mannen nog grapjes proberen te maken op het moment dat ze zich uitkleden, kinderen de hand proberen te grijpen van wie tijdens de treinrit zich nog over hen ontfermt heeft en waar bewakers doen alsof er niets aan de hand is, maar waar het eindstation door iedereen gevoeld wordt.

De kracht van menselijkheid

Toch schuilt de grootste kracht van dit magistrale meesterwerk niet in de wijze waarop Grossman mij meevoert in de meest hartverscheurende en angstige momenten van de protagonisten. Nee, het is de genuanceerde blik die hij ons gunt op ieder van zijn hoofdpersonen. Er zijn geen helden en beulen, er zijn slechts mensen die onder druk van de groep, het systeem of de familie keuzes maken die, met al hun consequenties, toch eerst en vooral een poging zijn geweest het meest logische te doen gegeven de omstandigheden. Maar als de logica later wegvalt, hoe rechtvaardig je dan nog je keuze? Daar is geen ander antwoord op dan dat van de menselijkheid: ondanks alle verschrikkingen is de mens uiteindelijk altijd in staat te vergeven, liefde te tonen, ook als er op het eerste gezicht geen enkele reden voor mededogen is.

In goed Russische traditie is Grossman niet te beroerd regelmatig stukken in zijn verhaal in te lassen die, zonder dat ze gekoppeld zijn aan een specifieke romanfiguur, uitgebreid een concept toelichten dat een rol speelt in het verhaal. Zo spreekt hij op pagina 360 en verder over de vriendschap. Ik heb de pagina’s gescand. Als bijlage via kenniscafe.com bied ik ze ter lezing aan. In de hoop dat je vervolgens direct naar een boekhandel surft of rent, om Leven & Lot zo snel mogelijk zelf in zijn geheel te lezen.


Geen ruimte voor hypocrisie in Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers

februari 2009

In de dagen rond kerst las ik, zeer toepasselijk, Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers, een verhaal dat zijn apotheose beleeft in de week tussen kerst en 1 januari en waarin het werk van de fictieve dierenactivistengroepering Lobster Liberation Front een centrale plaats inneemt. Al zou je met evenveel recht kunnen stellen dat eigenlijk het Finse bedrijf Nokia de motor achter het hele verhaal is.

De kostelijke, licht absurdistische maar pijnlijk schrijnende roman start namelijk met de vondst van een mobiele telefoon in het Vondelpark door Maurice Maillot, een ooit succesvolle schrijver van 50 met een writer’s block en naar het lijkt eeuwigdurend verdriet na de dood van zijn kat. De GSM brengt hem in contact met de wereld zonder dat hij het toestel ooit weet te beheersen, laat staan er een fatsoenlijk gesprek mee kan voeren. De telefoon is het object dat hem reanimeert, het centrum van zijn verbeelding wordt en hem op deze wijze terug in het leven plaatst. Een leven waarin al snel de (vermoedelijke) eigenaresse van de telefoon hem opwacht, Adolphe aka Dora aka Do, een vrouw die voelt voor al het leven, en zich tot doel heeft gesteld kreeften te bevrijden. Maar alhoewel ze dat doet in samenwerking met haar kameraden van het Lobster Liberation Front, valt vooral haar eenzaamheid op, gevoed door een verbeten, tragisch medeleven met alles wat geen mens is.

Charlotte Mutsaers weet de hypocrisie van de maatschappij (en onder het motto: de maatschappij dat ben jij, dus ik, gaat het hier natuurlijk over mijn eigen hypocrisie) feilloos bloot te leggen. Zoals Arjan Peters in de Volkskrant treffend uit Koetsier Herfst citeert:

‘Is het leven in een klein lichaam minder waard dan in een groot? Dat zou je niet zeggen als je de gebrekkige ouderenzorg afzet tegen de overdreven aandacht voor couveusewormen. Dat zou je echt niet zeggen.’

Maar waar Dora zelf het leven loodzwaar opvat en Maurice zich verwonderd en naïef door het leven slaat, is het Mutsaers zelf die in Koetsier Herfst bij tijd en wijle een prachtige, grappige comedy of errors opvoert, met mobieltjes die door een condoom beschermt moeten worden tegen de regen, met Harley Davidson mannen die lepeltje-lepeltje liggen en met de politie die de hypocrisie van de burgerlijkheid beschermt tegen de keiharde rechtvaardigheid van mensen als Dora.

Niet iedere recensent (of hier) is even gecharmeerd van de tegen de werkelijkheid aanschurende absurditeiten van Charlotte Mutsaers, waarin Osama bin Laden de leverancier is van de titel Koetsier Herfst en gedichten blijkt te hebben geschreven, waarin plasseks vanzelfsprekend net zo normaal is als de hulp van de hond in het groteske en tot mislukken gedoemde liefdesspel tussen 2 mensen die elkaar nooit nader kunnen komen, maar wie kan genieten van bijvoorbeeld een schrijver als Haruki Murakami en bereid is zijn eigen hypocrisie serieus te nemen, raad ik het beste Nederlandse boek van 2008 van harte aan.


Aandacht voor de Dichter des vaderlands

december 2008

Met het principe van een dichter des Vaderlands heb ik niet zoveel, met poëzie des te meer. Dus als de nieuwe dichter gekozen kan worden en er een longlist is verschenen, ben ik blij met alle aandacht voor de poëzie die loskomt. Vanaf 2 januari kunnen we stemmen, maar nu kun je je alvast verdiepen in de kandidaten. Wie de beste is? Dat is subjectief. Vandaar dat we mogen stemmen.

Waar het bij de landelijke verkiezing soms meer om de mens dan de inhoud lijkt te gaan, hoop ik dat we ons nu met zijn 15 miljoenen gaan verdiepen in de inhoud zelf. 15 miljoen poëzielezers? Ok, ik beken mijn zielsverwantschap. Het is waarschijnlijk toch nog altijd het ware karakter van een poëet: kunnen dromen en deze dromen in woorden vatten. In ieder geval heb ik nu alvast 1 aanrader: Tsead Bruinja. Een beetje Lucebert, maar dan veel nuchterder. Leesbaar, verrassend en fris. Zoals zijn bundel ‘Bang voor de bal’, bv. in ‘Herhaald verzoek’:

misschien staat er in hun agenda/
één verjaardag die het onthouden
waard is
en ik heb de meest waardeloze knieën

Op de pagina zijn alle gedichten ook als mp3 te downloaden/beluisteren. Ik heb de anderen nog niet gelezen, dus of dit mijn favoriet is, durf ik nog niet te beweren. In ieder geval een kooptip. En vanaf 18 december kun je een nieuwe bundel van hem aanschaffen: Angel, op tabloid-formaat, en als de prijsopgave klopt, voor een koopje: € 4,50.


De wereld door de ogen van Haruki Murakami in De opwindvogelkronieken

augustus 2008

ireallymeanit © Rene de Paula jr., Flickr
ireallymeanit © Rene de Paula jr., Flickr

Haruki Murakami weet als geen ander de brug te slaan tussen fantasie en de realiteit. In zinnen die niet direct mooi zijn maar wel betoverend, schept hij een wereld die blijft klinken als je De Opwindvogelkronieken weglegt. De figuren uit zijn werk neem je mee de file in, mee naar het werk en je bent blij als je weer thuis bent om verder te lezen hoe het met ze gaat.

De kunst van zijn werk schuilt niet per se in deze verleidingskracht van zijn romanhelden, maar in het rariteitenkabinet waarmee hij een wereld weet te scheppen die zo echt voelt dat je erin gelooft. Dat je gelooft dat je daadwerkelijk in staat bent in dromen de werkelijkheid te beïnvloeden tot op het punt van moord en natuurverschijnselen. Zonder ooit zweverig te worden, beschrijft Murakami een hanghuis waar niemand meer wil wonen, een put waarin je je dagen kunt opsluiten en een kat die wel of niet bij terugkomst dezelfde staart heeft als bij vertrek. En met dezelfde nonchalante opmerkingsgave waarmee hij op briljante wijze een private detective neerzet, vertelt hij het gruwelijke verhaal van het levend villen van een mens.

Verwondering

Het zijn slechts korte passages in een verhaal dat zich ruim 850 pagina’s lang meandert door het leven van Toru Okada, dat begint op het moment dat zijn vrouw hem verlaat voor… Precies, voor wat eigenlijk? Het is deze vraag die uiteindelijk centraal staat, waarbij Murakami schijnbaar moeiteloos weet te ontsnappen aan het gevaar van psychologisch gedramatiseer. Wat valt er ook te psychologiseren als je de wereld neemt zoals deze zich aan je voordoet en je in permanente staat van nonchalante verwondering reageert op je omgeving:

En fluiten kun je voor geen cent. Ik weet niet wat voor deuntje het voor moest stellen, maar ik kon er totaal geen melodie in ontdekken. Ben je soms homo?" “‘Ik dacht van niet,’ zei ik. ‘Hoezo?’

Een van de vele heerlijke conversaties die Toru met anderen heeft, in dit geval met zijn buurmeisje May Kasahara.

Japanse geschiedenis

De Opwindvogelkronieken is een briljant boek van een briljant verteller, die opzichtig plezier heeft in het vertellen van een heel raar, teder en uiteindelijk moralistisch verhaal, waarin het goede en het kwade met elkaar strijden. Het is ook een Japans boek dat onbewust een groot pleidooi houdt voor het subsidiëren van literatuur (al is dat in het geval van Murakami vast niet meer nodig): de Japanse moderne geschiedenis, waaronder de Japans-Chinese conflicten van voor WOII, komen ruimschoots aan bod en brengen op deze wijze een geschiedenis tot leven die anders ver van mij af staat. Waarmee de roman niet alleen de wereld van Murakami is, maar ook de wereld van zijn cultuur. Als buitenstaander kun je alleen maar dankbaar zijn dat hij zijn cultuur met ons wil delen. Hetgeen de vraag oproept: Wat zou mijn Japanse tegenpool vinden van de Erwin-trilogie van Joyce & Co aka Geerten Meijsing, mijn hoogtepunt uit de Nederlandse literatuur… Het is vast nog niet vertaald in het Japans, maar wie durft de subsidie aan?


De teleurstelling: Philip Roth; Het complot tegen Amerika

maart 2008

Ik ben dol op joodse schrijvers — de eerbied voor het geschreven woord is een prettig bijverschijnsel van de religieuze praktijken in de joodse traditie. Denk aan Chaim Potok, aan de film Yentl, aan Pearl Abraham, en zelfs aan de niet-orthodox opgevoede Amos Oz. En toch, zo blijkt, is mijn voorkeur even generaliserend als de uitspraak ‘Ik ben dol op Nederlandse schrijvers’. Zo bleek laatst toen ik eindelijk eens een boek las van Philip Roth, eeuwige nominee voor de Nobelprijs voor de literatuur.

‘Het Complot Tegen Amerika’ is een herschrijving van de geschiedenis: Wat als niet Roosevelt maar Charles Lindbergh de president van Amerika was geweest ten tijde van WOII? Deze Republikeinse isolationist en, vooral, vliegenier en de held van de natie, weet Philip Roth als een logische winnaar van de Amerikaanse verkiezingen vak voor de oorlog neer te zetten: “Als ik president ben, zullen jullie zoons niet sterven op vreemde bodem. Het is de joodse lobby in Amerika die ons de oorlog in wil sturen!” Roth schetst een uitermate fascinerend alternatief scenario voor de wereldgeschiedenis. En ik vond er niets aan. Dat vraagt een verklaring, al was het maar aan mezelf.

Een joodse schrijver over een joods milieu met een geschiedkundig kunststuk — hoe veel meer interessante concepten kun je bij elkaar zetten? Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van een bang jochie van negen, een jonge Philip Roth. Geen passie dan zijn postzegels, geen bevlieging dan het verzorgen van zijn neef, die gewond uit de oorlog terugkeert en boos is op de hele wereld.

Het verhaal is volstrekt hopeloos. Het gezin Roth wordt uit elkaar gedreven door tante Eva en het bureau dat joden wil helpen integreren in de Amerikaanse samenleving. De oudste zoon is het paradekind van het bureau, terwijl de vader van het gezin diepe afschuw koestert voor het bureau en alles wat met de nieuwe president te maken heeft. Als lezer mis ik de hoop, het plezier van het leven, de eerbied voor het menselijke. Wat ik krijg, is een behoorlijk schematische voorstelling van zaken — de moeilijkheid goed en kwaad van elkaar te scheiden, want ja, waarom zou Amerika ‘zijn’ jongens de oorlog in sturen (wel een wrange en scherpe knipoog naar de actualiteit in Irak)?

Wat ik krijg is een rauwe beschrijving van een joodse straat in New York, waar het geloof geen rol speelt, noch de studie van de thora, maar het joods-zijn desalniettemin alles doordrenkt. De omgeving is al te menselijk, er zijn domme mensen, ruwe mensen, rijke mensen en af en toe een aardig mens. Allemaal niets op af te dingen. Maar het is niet mooi. Ik ben geen zin in het boek tegengekomen die me verraste door haar schoonheid, door liefde of door hoop.

‘Het Complot tegen Amerika’ toont een wereld die ik niet wil en waaraan ik me erger. Dat is op zich een kwaliteit van het boek: het raakt me, maar op een manier die ik niet wil. Waarmee ik me realiseer dat de uitspraak ‘Ik ben dol op joodse schrijvers’ voortaan genuanceerd moet worden: ik ben dol op Amos Oz, Chaim Potok en nog wat namen. Want joodse schrijvers, die kunnen dus van alles schrijven.


De heilzame werking van Norwegian Wood van H. Murakami

februari 2008

Norwegian Wood at Japan Society NYC © ジョエル on Flickr
Norwegian Wood at Japan Society NYC © ジョエル on Flickr

Niets zo mooi als een mooi boek, maar wat zijn de evolutionaire voordelen van de ontroering die een goed boek oproept? Vermoedelijk is de rijkdom van ons sociaal bewustzijn verantwoordelijk voor de gevoeligheid voor de esthetische kwaliteit van de kunst. Doordrenkt van liefde voor de onbekende maker van een kunstwerk stel ik me open voor ‘de ander’. Eenzelfde gevoel als je kan hebben voor helden en voor de mensen van wie je houdt. Dankbaar dat je niet alleen bent, maar dat er zulke mooie mensen bestaan. Dit gevoel overspoelde mij gisteren toen ik de afsluitende woorden “Vanaf een plek die nergens was, had ik nog altijd Midori aan de lijn” las en vervolgens het boek Norwegian Wood van Haruki Murakami dichtsloeg. Na Kafka op het strand wederom een briljant boek van deze Japanse schrijver.

Norwegian Wood “is een indringend verhaal over romantiek en volwassenheid, over de onmogelijke en dappere liefde van een jonge man”, zo meldt de tekst op de achterkant. De wat afstandelijke, verwonderde toon van Watanabe, de in zichzelf gekeerde schoonheid van Naoke en de ontoereikendheid van de liefde, gecombineerd met de verstilde vertelvorm en de soms ronduit humoristische situaties (bv. de brand die Watanabe en Midori vanaf het balkon van de laatste gadeslaan) zijn in de handen van Murakami ingrediënten die het leven de moeite van het leven waard maken, ook, of misschien wel juist, als vrienden en geliefden in het boek zelfmoord plegen.

Van Norwegian Wood zijn meer dan vier miljoen exemplaren verkocht, zo ronkt de tekst op de achterkant. Wat ik me dan afvraag als ik dat lees, is of al die anderen net zo geraakt zijn door het boek als ik? Zijn het allemaal geestesgenoten die liever de kwetsbaarheid omarmen dan met oogkleppen op het eigen geluk achterna te lopen? Waarom is het leven, de maatschappij niet mooier als er zoveel mensen zijn die warm lopen voor het werk van Murakami? Of is vier miljoen nog te weinig om de wereld mooier te maken?

In ieder geval zal het niet aan Murakami liggen als de wereld ten onder gaat. Zijn boeken hebben de kracht om iedere racist, fascist, xenofoob, terrorist en machtswellusteling te ontmantelen. Als ze hem maar wilden lezen…


Datumloze dagen van Jeroen Brouwers

januari 2008

De laatste tijd veel gelezen, weinig geschreven. Bij deze een eerste aanzet de schade in te lopen: een snelle impressie van het boek dat ik een paar seconden geleden heb dichtgeslagen: Datumloze dagen van Jeroen Brouwers. Over een vader tegen wil en dank, over een vader ook die zijn rol na de eerste vijf/zes jaar volledig verlaat en uiteindelijk zijn zoon niet meer herkent, al zit deze tegenover hem. Over een vader die (bijna clichématig) uiteindelijk zijn rol weer oppakt als zijn zoon terminaal in het ziekenhuis ligt. Jeroen Brouwers weet als stylist uitstekend raad met het thema. Het verhaal is vlot geschreven. Grote makke echter is het ontbreken van de overdracht van de emotie op de lezer. Daarvoor is het verhaal te schematisch van opzet en krijg je als lezer te weinig sympathie voor vader of zoon. Het is te geconstrueerd, de vader wil het kind niet en uiteindelijk zit hij aan zijn sterfbed, zo rond mag het werkelijke leven dan soms wel zijn, maar voor een roman is het te makkelijk. Hetgeen niet wegneemt dat het boek wel lekker wegleest, maar de kwaliteit van taalgebruik en vaart compenseren niet volledig het ontbreken van echte betrokkenheid.

Nog een waarschuwing: de flapteksten aan de binnenzijde zijn zo slecht en amateuristisch, dat iemand bij Atlas toch heeft liggen slapen toen deze goedgekeurd werden voor publicatie. Zij doen Jeroen Brouwers en het boek in ieder geval geen recht.


Ontluisterend eerlijk verslag van rouwproces

augustus 2007

Van een vriendin kreeg ik onlangs het boek ‘The Year of Magical Thinking’ van Joan Didion te leen (ook vertaald in het Nederlands: Het Jaar van Magisch Denken, 2006). Het was haar iets te heftig, maar wellicht dat het iets voor mij was. Sneller dan verwacht heb ik het uit. Het boek is niet mooi of briljant. Het bevindt zich in een andere divisie, eentje die ik meestal links laat liggen, maar in dit geval gelukkig niet: de divisie van persoonlijke verwerking. Het boek is Joan Didion’s auto-biografisch relaas van het eerste jaar na de plotselinge dood van haar man, de schrijver John Gregory Dunne, en de vrijwel gelijktijdige levensbedreigende ziekte van hun dochter. Als een bezwerende formule herhaalt Didion door het hele boek:

Life changes fast.
Life changes in the instant.
You sit down to dinner and life as you know it ends.

‘The Year of Magical Thinking’ is onder andere een poging met het verstand te begrijpen, hoe het allemaal kon gebeuren. Wat had ze anders moeten doen opdat het niet gebeurd was? Naast deze worsteling met de werkelijkheid, is het boek een poging het verdriet te verwoorden, het verdriet dat aan het rouwproces vooraf gaat, het verdriet dat verdacht veel weg heeft van zelf-medelijden, maar in feite niets anders is dan het verwerken van de plotselinge eenzaamheid. Het huwelijk is, zoals Joan Didion schrijft, vooral een kwestie van tijd: met het overlijden van de ander lijkt ook de gedeelde tijd plots verdwenen. Wat is de zin van het geheugen als het niet te delen is?

Het woord Magical in de titel The Magical Year beschrijft de onzinnige situatie waarin je weet dat de ander dood is, maar zijn schoenen niet kan weggooien, want stel dat hij toch thuiskomt… Ik hoop dat ik nooit in deze situatie terecht zal komen, maar als het ooit gebeurt, dan zal ik hopelijk steun ontlenen aan de wijze waarop Joan Didion haar verlies verwoord heeft.


Norman Manea: De terugkeer van de hooligan

juli 2007

Ik heb een voorkeur voor boeken waarin schrijvers de macht van de taal gebruiken om de realiteit van onderdrukking, politiek, wetenschap of kunst een plek te geven in het universum. Dus als een boek wordt bejubeld als behorend tot de ‘beste memoires van deze tijd’, dan is mijn aandacht meer dan gewekt. En inderdaad is het boek ‘De Terugkeer van de Hooligan’ van Norman Manea een goed boek. Het past in de recente stroom van ervaren schrijvers die de 20ste eeuw duiden: Orhan Pamuk met ‘Istanbul’ en Amos Oz met ‘Een verhaal van liefde en Duisternis’.

Al deze boeken staan in mijn boekenkast en tezamen geven ze een beeld van Europa, maar op een hele diverse manier. Neem bijvoorbeeld het thema van de Tweede Wereldoorlog. Istanbul stond min of meer buiten de WOII, en Amos Oz heeft in Israel minder met de oorlog zelf te maken gehad, dan met de gevolgen en de strijd tussen de arabieren en de nieuwkomers uit Europa.

In ‘De Terugkeer van de Hooligan’ daarentegen speelt de Tweede Wereldoorlog een essentiële rol: in het Roemenië van het interbellum worden de Joden gedoogd, zoals ze eeuwen lang in Midden-Europa geleefd hebben. Maar met de komst van Hitler barst de puist van het antisemitisme in alle hevigheid weer open en daarmee eindigen de onbezorgde jaren van Norman Manea. Want ook de bevrijding in 1945 betekent immers in Roemenië niet anders dan de vervanging van het ene juk door het andere.

Alhoewel Manea in eerste instantie de eerste viool speelt in het communistische kader, ontdekt hij al snel de meedogenloosheid van het nieuwe systeem. Waar eerst ‘de Jood’ het mikpunt is, kan het nu in wezen iedereen zijn. Terwijl de joden al snel de gelegenheid krijgen weg te trekken naar Israël, blijft Manea wonen in het land van zijn taal. Totdat hij in 1986 gedwongen is zich te realiseren dat leven in Roemenië geen leven meer is, en hij alsnog vertrekt naar Amerika. Vanuit hier onderneemt hij in 1997 een reis terug, naar een post-communistisch Roemenië, dat niet meer zijn land kan zijn, aangetast als hij is door het leven van de balling. Dit is in een notendop het verhaal van ‘De Terugkeer van de Hooligan’.

Op de achtergrond speelt de vraag naar identiteit als leitmotiv door het boek heen. ‘Zonder schaduw, zonder identiteit’, zo wandelt Manea door Amerika. En wie ben je, als ‘het systeem’ in Roemenië zich het meest kostbare toeëigent van je leven: de tijd? Alleen deze observatie al maakt het boek tot een indrukwekkende memoire: Wat is een duidelijker kleinering van het individu dan de eeuwige wachtrij? Voor brood, voor zorg, voor werk. Wie ben je nog, als het systeem met je solt als een kind met een tol? 8 vierkante meter is voldoende ruimte voor een gezin om te wonen. En als de staat je sommeert, dan heb je maar te dansen. ‘De Terugkeer van de Hooligan’ is een indrukwekkende aanklacht tegen het Roemeense communisme, maar zonder werkelijk met de vinger te wijzen. Norman Manea vertelt zijn verhaal in de observaties van de mensen. Soms is het verhaal daarom wat lastig te volgen: namen die je niets zeggen hebben de neiging snel van plaats te verwisselen. Wie is nu wie, is een vraag die in het begin erg vaak door mijn hoofd schoot. Maar in een boek dat het thema van de identiteit behandelt, is die vraag zo gek nog niet…


Genieten met Kafka op het Strand van Haruki Murakami

juli 2007

De leesclub van mijn moeder is geweldig. Na Julie Zeh’s Speeldrift en Pascal Mercier’s Nachttrein naar Lissabon, weer een briljant boek: Kafka op het Strand van Haruki Murakami.

Het omvangrijke boek (650 pagina’s) begint als een magisch-realistische roadmovie door Japan. Tot ongeveer pagina 300 had ik moeite echt gegrepen te worden door het verhaal. Of, correcter geformuleerd: het verhaal was wel boeiend, maar over de noodzaak waarom ik juist dit boek zou lezen en niet een ander, twijfelde ik. De volstrekt natuurlijke wijze waarop Japan figureerde in het boek was tot de helft ongeveer de belangrijkste reden om door te gaan (en natuurlijk de aanbeveling van mijn moeder). Maar op een subtiele wijze transformeert het verhaal van een boek over magische dingen die in de buitenwereld gebeuren (Nakata, de oude man die met katten praat, onverklaarbaar bloed op de kleding van Kafka Tamura), naar een psychologische roman over dromen, idealen en volwassen worden.

Uiteindelijk is het boek wellicht het beste te duiden als een allegorie over ‘bewust zijn’. Iedere persoon in het verhaal wordt door het lot gedreven (het verhaal heeft dan ook een zwaar Griekse inslag, met het verhaal van Oedipus als rode draad), maar wat is nu precies je eigen bijdrage? De vrachtwagenchauffeur Hoshino die als onverwachte hulp van Nakata figureert, beleeft in die zin de meest louterende ervaring. Als ‘Kafka op het Strand’ al een boodschap heeft, dan komt hij het dichtst bij die van Pane e Tulipani: wees je bewust van je leven. Of je nu wel of niet de keuzes in eigen hand hebt, probeer tenminste je verantwoordelijkheid te nemen. Zoals Murakami Yeats citeert: ‘In dromen begint verantwoordelijkheid.’


Overleven of het grote geluk: de briljante film Pane e tulipani

mei 2007

Licia Maglietta in Pane e Tulipani © 8Weekly
Licia Maglietta in Pane e Tulipani © 8Weekly

Een van de mooiste, meest ontroerende en op een bepaalde manier ook een van de gevaarlijkste films is Pane e tulipani, of in het Engels, Bread and Tulips. Gisteravond laat op de VPRO, en nu, dankzij de ouderwetse video, tijdens de kaasfondue samen met Monique bekeken, en wow, wat een waanzinnig mooie, treurig stemmende en gelijktijdig gelukkig makende film. Zoals de VPRO Gids al zei: een bitterzoet sprookje voorbij ieder superlatief. De tranen in mijn ogen en tegelijkertijd de beleving dat dit het is wat leven de moeite waard maakt, dat dit ook is wat kunst ver doet uitstijgen boven alle andere menselijke activiteiten.

Pane e Tulipani, met schitterende rollen van Licia Maglietta (wat een vrouw!) als gedesillusioneerde huisvrouw en muze, en Bruno Ganz als IJslandse ober met zelfmoordneigingen en onovertroffen romantiek, begint als een huisvrouw tijdens een toeristisch busreisje door Italië (inclusief de verkoop van een pannenset in de bus) bij een tankstation door het hele gezin vergeten wordt. Ze gaat op zoek naar haar eigen geluk en belandt uiteindelijk in Venetië. Ze wordt hulp van een anarchistische bloemenverkoper (inderdaad een geweldig personage!) en vindt een kamer bij een IJslandse ober. Ze raakt bevriend met een holistische masseuse, die in het zelfde complex woont. En ze herontdekt de accordeon. Ondertussen is manlief vooral van streek omdat hij nu alles zelf moet regelen, en zijn minnares wil hem daarbij echt niet helpen: “Ik ben je minnares, niet je vrouw!”

Als Maglietta uiteindelijk gevonden wordt door de goedkope prive-detective die haar man heeft ingehuurd, keert ze terug naar huis, uit gevoelde verplichting naar man en haar twee kinderen (16 en 18 jaar oud), maar als kijker weet je dan al: NEEEEEE, niet doen. Helemaal als manlief enkel over het avontuur heeft op te merken: “Wat mij betreft is er niets gebeurd.” Nee, het geluk zit duidelijk niet in haar dagelijks bestaan met het gezin. Dat maakt de film ook zo gevaarlijk: hoeveel mensen kiezen niet voor veiligheid boven de kans op geluk? Hier wordt keihard een spiegel voorgehouden: durf JIJ te kiezen voor geluk?

Geef me muziek, een pakje sigaretten, een liter wijn en een avond met vrienden op een terras en ik geef je misschien een antwoord. Echt, Mefisto, ik geef een koninkrijk, zelfs mijn leven, voor de kracht om zo’n verhaal te vertellen.


Pascal Mercier: Nachttrein naar Lissabon

april 2007

Gelukkig heb ik Speeldrift van Julie Zeh in 2006 gelezen en dat boek tot het beste door mij gelezen boek van 2006 uitgeroepen. Dus heb ik nu de ruimte, zo vroeg in het jaar, om Nachttrein naar Lissabon van Pascal Mercier tot het beste boek van 2007 uit te roepen, alhoewel het al in 2004 geschreven is. Het boek beschrijft op sublieme wijze het gevolg van keuzes in het leven van de mens.

Een 57-jarige leraar Klassieke Talen, Raimund Gregorius, zo degelijk als Zwitserland ze maar weet te maken, besluit van de ene op de andere dag naar Lissabon af te reizen, en zich te verdiepen in het leven van de Portugese dichter en arts, Amadeu Prado. Het thema van het boek balanceert op de rand van het clichématige, maar duikelt er nooit overheen. Je kunt merken dat Pascal Mercier in zijn ‘andere’ leven als Peter Bieri hoogleraar Filosofie is. Aangezien ik vlak daarvoor Nietzsche had gelezen, herkende (of projecteerde?) ik de spanning tussen wil tot kennen en wil tot dwalen in het leven van Raimund Gregorius. Het thema van de vrije wil speelt op honderd-en-een verschillende manieren in ‘Nachttrein naar Lissabon’. Wat als het net even anders was gegaan? Of, zoals Pascal Mercier schrijft: “Het leven is niet wat we beleven, het leven is, wat we ons ervan voorstellen, te beleven.” Deze gedachte sluit naadloos aan op mijn gedachtensporen van de laatste tijd: de mens kan niet anders dan in verhalen denken. Iedere gedachte, iedere beleving, iedere waarneming wordt onmiddellijk in de menselijke geest ingebed in een verhaallijn. De afzonderlijke verhalen kunnen elkaar uitstekend tegenspreken, maar op het moment van ‘denken’ is ieder verhaal waar. Dit thema, dat als leitmotiv door de roman heenloopt, zal ook op deze blog nog zeer regelmatig terugkeren.


Recensie Vargas Llosa: Het paradijs om de hoek

maart 2007

Het paradijs om de hoek van Mario Vargas Llosa, onlangs in een betaalbare herdruk verschenen in de reeks Van Twee Werelden (De Volkskrant en Meulenhoff), vertelt het verhaal van twee markante persoonlijkheden: Flora Tristan en haar kleinzoon, Paul Gauguin (jawel, de schilder). We volgen Flora Tristan in haar laatste maanden, waarin ze een rondreis door Frankrijk maakt om de arbeiders te overtuigen zich aan te sluiten bij haar vereniging voor een betere maatschappij. En we maken Paul Gauguin mee in zijn laatste periode in Polynesië. Het verhaal is, zoals alle boeken van Vargas Llosa, vlot verteld. Je leest hem niet voor de mooie zinnen, maar voor de vaart en de ‘natuurlijkheid’ van het verhaal. Na 526 pagina’s is dat voor mij wel weer genoeg.


Julie Zeh’s Speeldrift, het beste boek dat ik in 2006 las

februari 2007

Nihilistische hoogbegaafde tiener ziet kiezen als een uitdaging. Voor haar maakt het niet uit wie wat kiest, maar wat is het fascinerend om te merken dat anderen dit heel anders zien. Kiezen is voor de meesten een moreel dilemma. En daarmee kan je spelen. Vooral als Ada een maatje vindt in Alev, niet zo slim maar minstens zo nihilistisch (of, zoals ze zichzelf noemen, de nazaten van de nihilisten).

Julie Zeh schetst op overtuigende wijze de consequentie van een goddeloze wereld. Door het te situeren op een gymnasium in Bonn krijgt het verhaal een soort stompzinnige geloofwaardigheid. Niets hemelbestormends aan. Zoals Ada, de protagoniste, zelf opmerkt, het is niet verbazingwekkend dat een scholier met een pistool leraren en leerlingen neerlegt, het is verbazingwekkend (en ondanks haar nihilisme toch ook wel hoopgevend) dat het zo weinig gebeurt.