Conceptueel Activisme als derde weg

november 2016

Waarin we via een muis, rommelige teksten, de associaties van Bruno Latour, en de niet-bestaande wereld van Gabriel Markus, tot een voorstel komen voor een algoritme om de mate van ‘nep’ te bepalen.

Ik was kind op een progressieve school in de jaren ‘70. Ook wij, de jongens, kregen verplicht, in blokken van 6 weken, haken, macrameeën en breien. Het was in de vierde klas dat we een breiproject moesten kiezen uit een groot handwerkboek. De foto’s van gebreide herten, clowns en katten zagen er verleidelijk uit. Ik kende echter mijn beperkingen en koos voor de kleinst mogelijke variant: een muis. Deze bestond uit twee delen: kop en lijf. Terwijl de meeste kinderen lekker opschoten met hun meer ambitieuze projecten, was mijn ’muis’ na 6 weken niet verder gevorderd dan het lijfje. Gelukkig was mijn juf de kwaadste niet. Onder het mompelen van ‘Tja, dat is niet veel…’, pakte ze een touwtje en bond het op tweederde van het lijf strak rondom. “Zo, nu heeft hij tenminste ook een kop.” En wat eerst niet meer leek dan een gebreide worst, kreeg plots betekenis, een leven op zich, het leek niet alleen een muis, het werd een muis. Zo kwam ik voor het eerst, zij het onbewust, in contact met conceptueel activisme.

De term Conceptueel Activisme kwam pas veel later op mijn pad, tijdens het lezen van een wetenschappelijk artikel van Alexander Styhre: Messy Texts And Conceptual Activism in Organization Theory:

The writing of messy texts are a particular form of conceptual activism wherein there are always voids, ruptures and fluidity present in the text, and where the author is explicitly rejecting the idea of an objective or apolitical account of the event or occurrence.

Verhalen vertellen (of wat nu in marketingtermen story telling is gaan heten), is de activiteit om feiten, mensen en gebeurtenissen een logische plek in tijd en ruimte te bieden en daarmee de wereld begrijpelijker te maken. Iedere keer dat ik dat probeer, geeft het me een leeg en onbevredigend gevoel. Om Boudewijn de Groot te parafraseren: “Achter iedere deur die ik dicht doe, gaat een andere weer open.”

Messy texts, rommelige teksten, voeren me terug naar mijn muis van de lagere school. Mijn muis was in alles een messy text. Mijn juf leerde me de waarde van conceptueel activisme - wij samen besloten dat een muis de vorm heeft van een worst met een strakgetrokken touwtje dat de plek van een nek suggereert. Een messy text vertelt een verhaal, maar erkent het arbitraire en tijdelijke karakter ervan, het is niets anders dan een kunstmatige kop-staart-verbinding.

Rommelige teksten bieden ruimte aan de oneindige complexiteit van de samenleving. Ik probeer vanuit steeds wisselende, elkaar soms tegensprekende perspectieven woorden te vinden om te duiden wat ik waarneem. Niet door aarzelend te benoemen, maar door steeds opnieuw een stelling te beklimmen en dan te verlaten voor een andere. Het is het geheel van stellingen bij elkaar dat de ‘werkelijkheid’ het dichtst benaderd.

Iedere stelling die ik beklim, ieder perspectief dat ik kies, is een vorm van activisme. Alhoewel ik geen keus heb dan te kiezen, is de keuze zelf vrij. Kiezen is iets activeren, een begin van een transformatie. Door dit activisme conceptueel te noemen, accepteer ik het arbitraire en kunstmatige karakter van de keuze. Mijn vrije wil uit zich in het maken van de keuze voor een bepaald concept, waarna het concept de overhand krijgt en het zich als het ware ontvouwt conform de verwachtingen van zijn eigen logica. “Ik heb een hamer in mijn hand, dus elk probleem is een spijker.” “Ik moet efficiënt werken, dus elk mens is een nummer.” Door de keuze als conceptueel activistisch te beschouwen, neem ik de volle verantwoordelijkheid voor mijn keuze.

Is het zoet mogelijk zonder het zuur?

Het conceptueel activisme biedt een derde weg, naast de doodlopende wegen van enerzijds cynisch relativisme en anderzijds dogmatisch idealisme. Als ik ergens voor kies, accepteer ik de regels die erbij horen. Sterker nog, het zijn de regels die het concept aantrekkelijk maken. Wie wil er schaken zonder zich aan de regels te houden? Ik begrijp de frustratie van de traditionele gelovigen over het ietsisme: vrijelijk shoppen in de religies totdat je overhoudt wat je past. Daar is letterlijk geen kunst aan. Is de overwinning mogelijk zonder de regels, het zoet zonder het zuur? Toch kun je zeggen dat ook het ietsisme uiteindelijk een concept is, een nieuwe religie passend bij het consumentisme van onze tijd.

A thing becomes increasingly real the more associations it has.
Bruno Latour

Schaken, ietsisme - kan eigenlijk alles een concept zijn? Een vraag die me terug voert naar het rommelige karakter van teksten. Een concept biedt een verhaal, een model van het beschrevene. Het ietsisme als verhaal is even ‘waar’ als de islam of het protestantisme. De kans dat het ietsisme echter ooit de statuur zal krijgen van een grote wereldreligie, acht ik klein. Het ietsisme lijkt op mijn gebreide muis - op een gegeven ogenblik wil iemand er iets van maken, omdat de tijd op is, de energie er niet meer is, men er genoeg van heeft, en doet er een strik om. Haalt men de strik weg, dan verliest het zijn vorm. Het is in deze zin dat ik Bruno Latour begrijp: “a thing becomes increasingly real the more associations it has.” 1 Het ietsisme is een ding met weinig associaties, het is een messy text die haar vorm zonder veel pijn en verdriet weer kan loslaten, een experiment als die van Aby Warburg’s associatieve allianties waarmee hij de kunstgeschiedenis wilde herschrijven.

Conceptueel activisme speelt met perspectief en associaties, het is in staat een strik te leggen, maar stelt tegelijkertijd dat deze strik niet de eeuwige of enige werkelijkheid kan zijn. Een discussie over de wereld als geheel is daarom niet mogelijk, zoals ook Gabriel Markus concludeert in zijn boek Why The World Does Not Exist. Er is geen perspectief waarin je boven alles kan staan. “The world is neither exclusively the world without spectators nor the world of spectators.” 2. Mijn concepten noemt hij fields of sense: “objects appearing under conditions that we can make exclusive through rules.” 3 We zijn ertoe veroordeeld steeds een perspectief te kiezen, en we moeten accepteren dat elk perspectief precies dat is: een invalshoek, met een daarbij behorend verdwijnpunt. Dat verdwijnpunt is de wereld. Markus kan, door het failliet te accepteren van de enige en kenbare wereld, een realistische filosofie scheppen: alles voor het verdwijnpunt, voor de horizon is de reële werkelijkheid, waarover we dus wel zinnige uitspraken kunnen doen.

Nepnieuws en de kracht van associaties

Het waarheidsgehalte van de uitspraken die voor de horizon van ‘de wereld’ liggen, wordt bepaald door de sterkte van hun associaties. Hetgeen, waarschijnlijk niet toevallig, ook de wijze is waarop Google Panda, onderdeel van hun zoekalgoritme, heeft gedresseerd en Tim O’Reilly nu Facebook adviseert om verder te onderzoeken: “Improving the “truth value” of articles doesn’t depend on manual interventions to weed out bad results, as commentators on both sides of this issue seem to think, but on discovering signals that cause good results to float to the top.” De sterkte van een associatie is wat Latour de mate van ‘good’ zal noemen. Hoe sterker de associatie, hoe betrouwbaarder deze is. Aangezien associaties bij Latour niet alleen tussen mensen bestaan, maar ook tussen mens en ding en tussen dingen onderling, gaat het niet alleen over wat mensen vinden, maar ook wat buiten ons bestaat. Zelfs als de meerderheid van de mensen de opwarming van de aarde zou ontkennen, zal nog steeds de opwarming van de aarde een hoge associatiewaarde hebben. Want de bomen, de regen, de dieren - zij bepalen mede de waarde. Het teruglopend aantal ijsberen is niet te ontkennen. De associatiewaarde biedt een oplossing om met het fenomeen van nepnieuws om te gaan. Bovendien verlost het ons van de vermeende tegenstelling tussen nep en echt nieuws. Ieder artikel bevindt zich op een schaal tussen nep en waar. De associatiewaarde zou een nieuwe norm kunnen worden om nieuws te beoordelen. Dan moeten we enkel een discussie voeren hoe we de kracht van associaties berekenen. Dat brengt me terug bij conceptueel activisme.

Conceptueel Activisme biedt een manier om steeds nieuwe associaties te onderzoeken. Niet blind doorgaan op een weg, maar bereid zijn steeds andere wegen in te slaan. Sommige wegen brengen je diep landinwaarts, andere lopen al snel dood. Maar iedere weg biedt je een perspectief. Het doet recht aan het principe van complimentariteit, zoals op Brainpicking zo mooi wordt toegelicht aan de hand van Frank Wilczek:

“To do full justice to reality, we must engage it from different perspectives.”

Hoe meer mensen en dingen het perspectief delen, hoe hoger de associatiewaarde. Er zullen echter altijd meerdere perspectieven blijven bestaan. Daarom zijn er messy texts als deze, die slechts afgerond kunnen worden omdat de schrijver er een strik omheen doet. En jij als lezer dat misschien al veel eerder hebt gedaan.

Op de foto

december 2015

Op een zondagmorgen in december, de miezerregen maakt langzaam plaats voor spaarzaam blauw-gestreepte grijze luchten, stap ik in de auto op weg naar de Kop van Zuid. We hebben om half elf afgesproken, ik in twee outfits, eentje voor het net en eentje voor het gewone, en Anne-Roos met een fototoestel en statief. Ik arriveer iets te vroeg en laaf mij toeristisch aan de omgeving van Hotel New York. Wat oogt de stad werelds en groots. Wat verspreidt het water een air van onverschilligheid als ik in de richting van de havens kijk. Stroomopwaarts ziet de Maas er kwetsbaar uit, in tweeën gesplits door het Noordereiland. Aan de overkant, op Katendrecht, staat een rij loodsen in het stramien van hipster cool.

Anne-Roos arriveert in gezelschap van Patrick, haar compagnon. Voor het eventuele extra licht dat misschien nodig is. Of voor de gezelligheid van de zondagmorgen? In eerste instantie blijft hij meer op de achtergrond, reikt zijn fototoestel aan als Anne-Roos dat vraagt en maakt ondertussen zelf foto’s van de omgeving. Recht naar boven langs de lantaarnpaal, recht naar beneden op de stenen. Ze roken beiden, lege hulzen filtersigaretten worden zo af en toe voorzien van een lading tabak. Het enthousiasme van de jonge fotografe spat er vanaf. Dat we straks, als extraatje, samen op een Polaroidfoto gaan. Dat ze met haar foto’s authenticiteit zoekt in haar modellen. Dat ze eigenlijk voornamelijk buiten portretfoto’s wil maken. Dat we eerst een paar wideshots maken en dan later ook wat close-ups. Ik zeg dat ik me voel alsof ik naar de tandarts ga - een ongemakkelijke angst voor het oordeel van de ander over mijn lichaam. Dat laatste zeg ik niet, maar bedenk ik in de auto op de terugweg. Patrick heeft dat met kappers.

Anne-Roos heeft zich goed voorbereid. Ze heeft mijn site bezocht, gezien dat ik iets met poëzie en kunst heb, zij heeft de kunstacademie gedaan. Ze herinnert zich mij uit de verhalen van haar moeder, een paar maanden eerder. Ze weet dat ik overweeg andere wegen in te slaan. Later zal ze zich afvragen of Chinezen anders denken, meer met hun rechterhersenhelft, omdat hun schrift bestaat uit 5000 afbeeldingen. Ik antwoord dat ze naar mijn weten niet creatiever zijn dan wij, dus dat het waarschijnlijk niet zo werkt.

We overleggen over een geschikte setting. Steken we over, richting stad? Pakken we de kade van Katendrecht? We kijken eens om ons heen en zien dat we de perfecte plek al hebben gevonden. De tuien van de Erasmusbrug, het blauw van de lucht - mijn blauwe colbert matcht goed, ik krijg een compliment voor de kleurkeuze. Of heeft je vrouw die uitgezocht? Dan beginnen de aanwijzingen. Kijk eens in de lens, een beetje meer naar links, naar het water, in de lens, nog een, mooi, dat is goed, de armen over elkaar, naar rechts, dit lijkt heel dichtbij, maar het is een wijdhoeklens. Nog een paar.

Foto’s: Anne-Roos Rading
Foto’s: Anne-Roos Rading

Een wat kalende vijftiger in trainingsbroek passeert, draait zich dan om en zegt dat je prachtige foto’s kunt maken van een dakterras bij het hotel verderop. Je kijkt daar van boven Rotterdam in. Ze vinden het leuk als er jonge mensen komen. Ze vinden het leuk als je daar foto’s maakt. We krijgen een kaartje van het hotel en gaan op pad. De werkelijkheid past zich niet helemaal aan. Ja, er is een dakterras, maar deze is gesloten in de ochtend. Anne-Roos zet Serge, de Limburgse duty manager die erbij gehaald wordt, licht onder druk. Deze meneer, wijzend naar mij, is helemaal uit Hellevoetsluis gekomen en nu kunnen we het dakterras niet op. Het is aan hem om nee te zeggen, verklaart ze later. Het dakterras blijft gesloten, maar hij heeft een kamer vrij op de 23ste verdieping. Wellicht dat dat iets is? Mooi uitzicht. Of eens van ons fan is van van Ajax? Hij wijst naar de Kuip. Dan de teleurstelling - er is geen balkon. Toch wat foto’s maken, nu in mijn casual outfit.

In de hotelkamer is het tijd voor de Polaroidcamera en een foto van ons drieën. Of Serge die wil maken? Een druk op de knop, wachten tot de foto eruit is en dan snel de afdruk opbergen in een donkere ruimte. Anne-Roos heeft er plezier in, ook als Patrick later een tweede Polaroidfoto maakt van ons twee. Een ouderwets aandoende opwinding over de magie van een foto. Toch is er iets veranderd. Het duurt nu 35 minuten voor de foto toonbaar is, waar de Polaroid vroeger juist glorieerde dankzij het genot van instant resultaat. De techniek verdwijnt niet, maar details veranderen en het verhaal past zich aan. Van wegwerpfoto’s naar kunstfoto’s.

Buiten het hotel nog een laatste paar foto’s en dan zit het erop. Meer van hetzelfde is onnodig. We hebben goede foto’s, zegt Anne-Roos. Jammer dat het voorbij is. Een gedachte die ik bij het verlaten van de tandarts nog nooit heb gehad.

Wat men kan leren van de inrichting van een boekenkast

maart 2014

Boekenberg, Spijkenisse © William Verbeek
Boekenberg, Spijkenisse © William Verbeek

Naast een actief lezer en luisteraar, ben ik ook een actief verzamelaar van boeken en muziek. De indeling van boekenkasten en de muziekcollectie is daarbij een continue uitdaging, die mij minstens zoveel hoofdbrekens verschaft als het besluit wat precies aan te schaffen. Dit weekend heb ik weer eens de herindeling van een boekenkast ter hand genomen. Het bleek een leerzame parabel voor de toenemende afhankelijkheid in het leven.

Een rechtgeaarde boekenliefhebber heeft rijen met boeken en stapels met boeken. De bedoeling van de stapels is dat ze ooit weer onderdeel worden van de rijen. Het nadeel van de rijen is dat ze over het algemeen in lengte beperkt worden door wanden. In den beginne is dit geen enkel probleem. Men probeert de rijen los van elkaar op te zetten, met voldoende lege ruimte om ze aan te vullen op het moment dat zich nieuwe boeken aandienen. Aanvankelijk koos ik hierbij voor een indeling op Taalgebied, met de Nederlandse, Angelsaksische, Midden-Europese (inclusief Duitsland en Rusland), Franse, Italiaanse en Iberisch-Latijns-Amerikaanse literatuur als grootste groepen. 

Op een gegeven moment komt het punt dat een rij de wand bereikt en de stapels niet meer passen tussen de bovenkant van de rij en de plank erboven. Het eeuwige schuiven doet zijn intrede. Er komen nieuwe boekenkasten, nieuwe kamers worden erbij betrokken, en de speurtocht naar de beste indeling krijgt een homerische dimensie. 

Neem de vraag naar hoe boeken over meerdere ruimtes verdeeld moeten worden. Boeken in de woonkamer hebben een streepje voor op de boeken in de studeerkamer. Wil je een taalgebied bijeenhouden, dan verdwijnen er onvermijdelijk dierbare boeken naar elders en staan op de pronkplekken boeken die amper de zeis van de verbanning naar tweedehandsboekenzaken zijn ontsnapt. Kies je ervoor, zoals ik heb gedaan, de parels in de woonkamer te houden, dan dien je op twee plaatsen de indeling te onderhouden. Erger is dat dit je dwingt je definitie van pareltjes met iedere stapel-tot-rij transformatie verder te vernauwen. Zijn pareltjes afzonderlijke boeken? Of is het de schrijver, van wie je dan toch in ieder geval het werk bij elkaar wilt houden? Van Nabokov, Geerten Meijsing, Murakami, Frida Vogels en J.J. Voskuil heb ik inmiddels zoveel boeken, dat zij alleen al rijen in beslag nemen. Het plezier van het oeuvre als geheel is daarbij belangrijker dan de afzonderlijke titels. Waarmee zij hele taalgebieden domineren en individuele parels steeds vaker verdrijven naar de overige kamers in huis.

Ergens in dit proces zijn ondertussen de rijen op verschillende hoogten gekoppeld aan elkaar in een lange stoet van onderling afhankelijke posities. Een nieuwe stapel Russische literatuur beïnvloedt niet meer alleen de plek van Grossman, Frisch en Marai, maar ook van Borges, DeLillo en Marias. De integratie van een nieuwe stapel in de rijen leidt onvermijdelijk tot het zeulen van stapels boeken door het hele huis, tot uiteindelijk een nieuw evenwicht bereikt is. Gisteren moest ik daarbij mijn geliefde opdeling in taalgebieden voor de woonkamer verlaten. Voor sommige taalgebieden bleven er domweg te weinig boeken over. Nu heb ik rijen voor mijn grote liefdes en staan de taalgebieden op alfabetische volgorde broeder- en zusterlijk door elkaar. Voor het eerst staan Sandor Marai en Javier Marias zij aan zij. Dat kan echter zo weer veranderen als er een nieuwe stapel geïntegreerd moet worden. Of als eindelijk de nieuwe boekenkast besteld wordt.

De inrichting van de boekenkast is een parabel voor de toenemende afhankelijkheid van het leven. In de loop van je leven bouw je steeds meer op. Wie niets kwijt wil raken, zal regelmatig stapels in rijen moeten schuiven. De afhankelijkheden worden steeds groter. Dit noopt je na te denken over de aard van de relaties. In mijn geval nemen mijn favorieten steeds meer ruimte in beslag en verdwijnen individuele titels naar de achtergrond. Toch zijn het de individuele titels die uiteindelijk het vermogen hebben te verrassen. Door de structuur te veranderen, blijft er voldoende ruimte voor parels.

Uit de oude doos

Hommage aan Marsman

mei 2011

Herinnering aan Holland (vrij naar Marsman)

Denkend aan Twitter, Facebook en Hyves,
zie ik informele berichtjes
in kolkende hoeveelheden
onder me heen gaan.
Ondenkbaar ijle
twijgjes kennis,
de moeite van het
sprokkelen niet waard,
in de oneindige
ruimte verzonken
De schelle echo’s
van holle ego’s verspreid.
Camshots en -vids,
geknotte teksten,
krabbels en likes
tot fast food gemalen.
Immens straalt er de oppervlakte
en het ware raakt ongenaakbaar
onder de hang
naar publiekelijk exposeren
en in alle sferen
wordt de bede om aandacht
met zijn eeuwige overvloed
gevreesd en gehoord.

Lees het origineel van H. Marsman


Wat je kunt lezen in de krant

januari 2010

Het is goed als je veel beweegt.
Het is goed als je veel vrienden hebt.
Het is goed als je veel nadenkt.
Het is goed als je sociaal bent.
Het is goed als je je af en toe verveelt.
Het is goed als je werk hebt.
Het is goed als je vrijwilligerswerk doet.
Het is goed als je kennis neemt van verre culturen.
Het is goed als je geld uitgeeft.
Het is goed als je spaart.
Het is goed als je duurzaam consumeert.
Het is goed als je tolerant bent.
Het is goed als je zegt wat je denkt.
Het is goed als je anderen respecteert.

Je mag niet kiezen.
Je moet alles.
Je mag je vooral niet schuldig voelen.
Dat is niet goed.


Valse identiteit op internet strafbaar?

september 2007

Minister Hirsch Ballin gooit een proefballonnetje op en de media pikken het direct op: een valse identiteit op internet wordt strafbaar, zo valt te lezen op teletekst. Maar hoe bepaal je mijn online identiteit? Mag ik voortaan niet meer liegen over mijn leeftijd? Mag ik geen fake e-mailadres meer opgeven als de zoveelste site denkt mijn gegevens nodig te hebben zonder duidelijk te maken wat ze ermee gaan doen? Blijkbaar weet Hirsch Ballin wat mijn werkelijke identiteit op internet is. Wow, mijn hele promotie-onderzoek kan in de prullenbak. Als je niet meer mag liegen over je identiteit, wat is er dan nog als jongere te beleven op het net? Is een avatar leugen?

Als jongeren uitgaan, spelen ze een rol. Veel mensen liegen over hun leeftijd. Plots is dat allemaal verboden op internet? Hoe kun je controleren of iemand zich niet voor mij uitgeeft? De hele problematiek van een digitale identiteit wordt in een keer opgelost. Dankzij onze stoere minister van Justitie. Nee, hier is weer iemand aan het woord, die, in de woorden van de schrijver Thomese, de politiek in is gegaan om zijn lul. Zijn ego ging er deze zondag even met zijn verstand van door.

Want wat hij echt wil verbieden, is al verboden: seks met een minderjarige. Als meerderjarige pretenderen dat je minderjarige bent, is in dergelijke gevallen allang strafbaar. En zolang het op internet makkelijk is om anoniem te surfen en mensen zich (ook uit andere landen) eenvoudig een identiteit kunnen aanmeten, is de hele opmerking: een valse identiteit op internet is strafbaar, niets meer of minder dan een leugenachtige en simplistische voorstelling van zaken. Moet dit soort mensen ons de kenniseconomie in leiden? Wat een aanfluiting!


Claudio Magris en de migraine van Geert Wilders

augustus 2007

Een van mijn favoriete denker-schrijvers is Claudio Magris, wiens boeken steeds opnieuw het grensgebied tot thema hebbende grens tussen West-Europa en Oost-Europa, de grens tussen waarheid en fictie, de grens tussen jezelf en de ander. Zijn wijze van schrijven is een uitnodiging tot langzaam lezen, de beschrijving van een café en het publiek is een verhaal op zich en wie te snel erover heen vliegt, mist de bekoring van de kroeg, en daarmee de essentie van het verhaal. Donau is het bekendste boek van Claudio Magris. Hierin beschrijft hij minutieus het leven en de cultuur langs de loop van de Donau. Wie een verhaal zoekt, over liefde of over de geschiedenis, raakt teleurgesteld. Wie een verhaal zoekt met de vaart van de bergbeekjes in de lente, als van heinde en verre het water zijn weg zoekt om gezamenlijk de grote reis naar de Bosporus te starten, raakt teleurgesteld. Maar wie wil luisteren naar een van de meest interessante stemmen van deze tijd, naar een schrijver die zowel professor als filosoof is, zowel Italiaan als inwoner van Triëst, de stad op de grens van Midden- en West- en Zuid-Europa, en voor het luisteren de tijd neemt, die wordt beloond met een waterval aan schitterende observaties van onopvallende gebeurtenissen langs de Donau. Deze observaties betreffen vaak onbeduidende gebeurtenissen, die echter in het duiden door Magris hun onbeduidendheid verliezen.

Angst, Wilders en de deur

Zo werd ik gisteravond midden in de beschrijving van Café San Marco (uit het boek Microcosmos), getroffen door het verhaal van de angst. Eerst verwijst Magris naar een parabel: “De angst klopt aan de deur, het vertrouwen gaat opendoen; buiten is niemand te zien”. Om dan te vervolgen:

Sinds lang worden er alleen deuren gesloten, het is een ware zenuwtrek; heel even ben je opgelucht, daarna slaat de angst je opnieuw om het hart en zou je alles willen barricaderen, ook de ramen, zonder in de gaten te hebben dat er zo geen lucht meer binnenkomt en de migraine in die benauwde atmosfeer steeds heviger op de slapen bonkt en je uiteindelijk alleen het geluid hoort van je eigen hoofdpijn.

Ik las deze passage op de dag van het definitieve demasqué van Geert Wilders, zijn werkelijk schandalige gelijkstelling van Mein Kampf aan de Koran, daarmee een religie schofferend op de meest grove wijze.

Het citaat van Magris biedt een waardevol perspectief op het proces waarin Wilders en zijn aanhangers zichzelf hebben opgesloten. Hun eigen angst wordt met de dag groter. En de remedie lijkt zo eenvoudig: gooi die deur met vertrouwen open, en de hele angst stort in als een plumpudding. Maar vooralsnog barricaderen ze hun huis, hun hoofd, hun leven en inderdaad lijkt het erop dat in ieder geval het hoofd van Geert Wilders uit elkaar barst. Of de Nederlandse samenleving volgt? Niet als de rest van de natie met vertrouwen de deuren weer durft open te zetten!


Onorthodoxe suggesties voor het wielrennen

juli 2007

Wat een aanfluiting, die hele tour de france. Het grootste publieksbedrog ooit, waar het publiek helaas even hard aan meewerkt…Wil de eerste zonder boter op zijn hoofd opstaan? De renners weten dat ze fout zitten. De sponsors en de ploegleiding idem dito. Ze kennen allemaal het wielerwereldje en ze doen er weinig aan de druk te verminderen. Dus over deze groepen heb ik het maar even niet. Mijn verontwaardiging richt zich in dit artikel op de media. Maar uiteindelijk vooral op de psychologie van presteren. En hoe in andere sporten de grenzen aan presteren worden opgelegd als inspiratie voor de toekomst van het wielrennen. Mart Smeets en de hele media: verachtelijk zoals zij beweren dat ze buitenstaanders zijn… Eerst het wielrennen groot maken tot een spektakelstuk pur sang, dan in iedere bergetappe opnieuw benadrukken dat het toch haast onmenselijk is, de prestatie van weer een andere wielrenner, en dan geschokt reageren als er doping gebruikt wordt en jezelf een buitenstaander noemen. Het zijn de wielrenners die het doen… ja, mijn neus! Wielrenners hebben andere talenten dan bestuursvoorzitters, maar de patronen die hun gedrag voeden zijn identiek: meer respect, meer aandacht, meer geld, meer, meer, meer. En blijkbaar is wielrennen onmenselijk, of althans, de etappes die gereden moeten worden.

Ik zie twee oplossingen, wil het wielrennen althans een kans van overleven hebben:

  1. Kort de etappes van alle rondes in tot niet meer dan 150 kilometer (maar laat de fysiologen eerst maar eens uitzoeken of dat echt helpt). Voetballers spelen tenslotte ook niet tot ze erbij neervallen. 2 x 45 minuten kunnen de toppers zo aan, dus doping voegt weinig toe.
  2. Ga met een handicapsysteem werken: controleer vooraf op doping en geef de renners een achterstand, naar gelang het spul dat ze gebruikt hebben. Bloeddoping? 10 minuten later vertrekken. EPO? 15 minuten later. Of de tijden kloppen weet ik niet, maar het is allicht een idee…

Op dit moment dreigt wielrennen af te zakken naar het niveau van bodybuilding — de top staat stijf van de dope en niemand, behalve een stel diehard fans, kan het nog serieus als sport nemen. Zal er volgend jaar een Tour de France zijn? Zonder rigoreuze wijzigingen (en dan heb ik het niet over een organisatorische splitsing van bonden, een typische bobo-oplossing), verandert de sport niet. Dus doe eens gek of schrap de tour. Hoe dan ook: in ieder geval volgend jaar geen mediabudgetten voor de wielerrondes. Dan kan Mart Smeets met meer recht zeggen dat hij een buitenstaander is!


Vital Information — een kwestie van overleven

mei 2007

Het zal voor wie mijn toevoegingen aan ‘Watvindenwijover.nl’ of mijn eigen blog heeft gevolgd, geen geheim meer zijn: ik oriënteer me op een promotie-onderzoek. De basistermen daarin staan sinds de zomer wel min of meer vast: wat betekent identiteit, de basis voor ons welbevinden, in een online omgeving?

In de speurtocht naar waar te beginnen, bracht iemand (bedankt, Bolke, bedankt, René) al snel het zojuist afgeronde proefschrift, ‘Presence and the design of trust’ van Caroline Nevejan, onder mijn aandacht. Een vooral zeer inspirerend proefschrift (volgens mij een vrij uitzonderlijke en unieke combinatie!) over de betekenis van aanwezigheid in het ontwerpen voor vertrouwen. Het hele proefschrift is integraal te bekijken en te downloaden op de experimentele site, being-here.net.

Ik wil deze blogpost dan ook niet wijden aan de theorie die Nevejan ontvouwt. Een heel korte introductie moet voldoen: Nevejan onderscheidt drie vormen van aanwezigheid: Natural presence, mediated presence en witnessed presence. Op basis van haar ervaringen rond 1990, waarbij ze als producer van twee evenementen de online en fysieke wereld met elkaar verbond, probeert ze door te dringen in de essentie van wat er gebeurt als mensen elkaar moeten vertrouwen in een situatie waarbij mediated presence een belangrijke rol in de interactie speelt.

Vital information

Reading resence and the design of trust Ik heb het proefschrift uitgebreid gelezen. Wat me raakte in haar verhaal (behalve het feit dat in dezelfde tijd dat zij haar evenementen produceerde, ik ook in Amsterdam leefde en mij met dezelfde onderwerpen, AIDS en de nieuwe media, bezig hield zonder mij bewust te zijn geweest van deze evenementen…), is het belang dat ze toekent aan de menselijke waardigheid. Het proefschrift neemt de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als ijkpunt voor de menselijke waarden en vertrouwen. Het mens-zijn en het overleven als mens, zet ze aan de basis van ons gedrag. Daartoe hanteert ze het begrip Vital Information: “Information that supports survival for a specific person in a specific place at a specific time.”

Toen ik zojuist een interview las met Julian Bleecker over de verbinding tussen de fysieke (1st life) en de virtuele wereld (2nd life), werd ik getriggerd door eenzelfde besef van vital information:

We can create bridges that capture, share and disseminate the current, day by day state of the thinning northern ice cap. We can create a 1st life / 2nd life bridge that makes this condition as present, as impactful and as resonant as a dripping faucet in the next room, rather than an abstraction only occasionally brought to our mind through a newspaper article or cocktail party conversation.

Verdere vragen

Het concept van Vital information raakt me, omdat het een ideologische, ethische en diep-menselijke waarde vertegenwoordigt: het geloof dat er zaken zijn die er echt toe doen. De koppeling met het concept van overleven geeft het concept een socio-biologische basis. Een belangrijke vraag moet echter nog beantwoord worden, en dat is er een voor {–mijn promotie-onderzoek–}: welke informatie kan gerekend worden tot vital information?

Identiteit is, zo is de aanname van {–mijn eigen promotie-onderzoek–}, cruciaal voor het overleven van een individu. Welke informatie is vitaal in dit kader? Nevejan zelf gaat hier niet diep op in, zij volgt haar eigen pad, maar elders in haar proefschrift, geeft ze al wel een mogelijke oplossing: “To be connected is often the ultimate aim of the connection.”


Eurovisie songfestival — het voordeel van goede buren

mei 2007

Het Eurovisie Songfestival van vorig jaar was het all time hoogtepunt van dit meest democratische der Europese evenementen. In de halve finale kwamen de meest bizarre groepen voor en matigheid leek niet te lonen. De IJslandse zangeres Silvia Knight, die helaas niet tot de finale reikte, verwoordde de sfeer uitstekend: Congratulations that I am alive (nog steeds de ringtone op mijn mobiel). En met de Finse winnaar Lordi kreeg het festival de terechte winnaar. Het eveneens hoog eindigende We are te winners van Litouwen paste ook al in de trend. Ik had hoge verwachtingen van dit jaar. Maar wat moet ik nu van het Eurovisie songfestival 2007 denken? Je kunt in ieder geval zeggen dat de tweede plaats van Oekraïne nog een staartje van de trend van vorig jaar vormt. En ook dat vele landen meenden de bizarre hoogtepunten van vorig jaar te kunnen kopiëren: Denemarken met zijn travestiet, Andorra met een echt jongensbandje dat vol adrenaline simpele akkoorden eruit raffelde, België met een swingende pastiche op de jaren 70 en Israël met een schertsband optima forma. Geen van hen overleefde de halve finale. Nederland had het over een andere boeg gegooid — vakmanschap met een lekker nummer. Maar blijkbaar nekt de ligging aan de zee ons: te weinig buren. Überhaupt blijkt vakmanschap geen enkele garantie, ook Zwitserland met aanmerkelijk meer buren lag er onmiddellijk uit.

Al na de halve finale was het duidelijk: het zou een feestje worden van de landen ten oosten van de grens tussen Polen en Duitsland. Tja, de aantrekkelijkheid van de puntentelling sloeg bij mij om in ergernis, de rationale achter de keuze van de massa was volstrekt stupide. Of heeft Monique gelijk? Die landen zijn nog solidair met elkaar. Wat een broederliefde! Daar kan de Europese Unie nog heel veel van leren. Waar wij jarenlang de Duitsers alles ontzegden, en zeker onze punten, knuffelft de Balkan elkaar bijkans dood. En de Russische overheersers krijgen toch maar mooi de 12 punten van Wit-Rusland. Of zijn dat weer de Russen die in Wit-Rusland wonen? Zoals Turkije ook al jaren baat heeft bij de exodus van zijn volk in de afgelopen 40 jaar?

Het landenconcept lijkt inderdaad de beslissende factor te zijn, dit jaar sterker dan vorige jaren. Wat betekent dit voor Nederland? Onze Belgische belastingontduikers en Spaanse pensionados zijn of met te weinig, of ze kunnen niet sms-en. De oplossing voor de winnende formule voor volgend jaar begint zich af te tekenen. Ik zie twee alternatieven.

  1. We gaan massaal emigreren naar de andere landen in Europa. Alle varkensboeren naar Polen, alle IT-ers naar Roemenië en alle accountants naar Rusland. Er ligt daar voldoende werk.
  2. Volgend jaar sturen we een Turkse Nederlander naar het Eurovisie Songfestival. Niet te vrijgevochten, niet te Nederlands, hij moet goed Turks spreken en ja, ik denk inderdaad dat het een man moet zijn.

Ik zie slechts één potentieel risico in deze aanpak. De landen die dit jaar de aanpak van vorig jaar hebben gekopieerd, zijn niet ver gekomen. Dus als die trend zich doorzet, dan moeten we eerst op zoek naar een cyclisch patroon. Herhaalt de geschiedenis zich om het jaar? Dan moeten we Within Temptation sturen! Of gaat het komend jaar om de kwaliteit van het liedje en de zanger? Dan waren we dit jaar te vroeg met Edsilia Rombley. Maar misschien wordt het tempo van het liedje wel belangrijk, zoals tijdens de lange trieste jaren van het festival, toen we met Eric van Tijn en Jochem Fluitsma braaf meededen aan het uptempo drama. Of juist ballads, omdat Ierland daar weer vroeger mee wist te winnen (die hebben blijkbaar zoveel verlies geleden bij de organisatie van het festival, dat ze moedwillig het minst aantrekkelijke hebben ingestuurd dat ze maar wisten te vinden — alles om te vermijden dat de karavaan volgend jaar weer naar Dubline zou komen). Moe word ik van de mogelijkheden. Wat zal de winnende formule volgend jaar worden? Als het weer gaat om de buren die je hebt, dan vind ik er in ieder geval niks aan. Net zoals ik het winnende liedje van Servië ook stom vind. Stom en saai en vervelend. Blij dat zij in ieder geval mijn buur niet is! Nee, als ik dit jaar in de finale had moeten kiezen, was het Hongarije geworden. Maar eigenlijk is dat geen songfestival liedje, doch gewoon een goed liedje. Georgië vond ik songfestivaltechnisch gesproken het leukste. Ach ja, hoe dan ook was het dit jaar toch niet mijn jaar. Met de slechtste top 10 van de afgelopen jaren: Eurovision Song Contest.


Het grote denken wakker geschud

april 2007

Al sinds mijn middelbare school voel ik mij aangesproken door het denken van Nietzsche. In die tijd schreef ik een werkstuk voor geschiedenis over de relatie tussen het denken van Nietzsche en het Nazisme. Ik heb Nietzsche altijd bewonderd in zijn oprechtheid, het doorgaan tot ver voorbij het punt dat het pijn doet. Zijn Ubermensch-gedachte was voor mij daarvan een sprekend voorbeeld: de erkenning dat de dood van God voor de meeste mensen onacceptabel is en daarom een vervanging zoekt. Ik zag Nietzsche als de filosoof van “God is dood. Lang leve de Ubermensch”. Iedere poging van de mensen om nieuwe varianten van geloven te scheppen, toonde mij zijn gelijk aan. De gemiddelde mens is niet bestand tegen de kaalslag van de rede. Maar ik wel. Wie iets van pubers begrijpt, zal de prettige bevestiging van de persoonlijke identiteit die hierbij komt kijken, herkennen. Het heeft mijn persoonlijkheid mede gevormd.

Nog niet zo lang geleden keek ik mijn doctoraalscriptie in over de videoclip, haar beeldtaal, het postmodernisme en het vraagstuk van identiteit. Ik was aangenaam verrast door de kwaliteit en geshockeerd door het besef dat ik op dat moment van herlezen niet meer in staat was tot zulke doordachte schrijfsels. Ik was in de tijd tussen mijn afstuderen en het herlezen van mijn scriptie in beslag genomen door het leven van jonge ouders en carrière maken. Niet in die mate als sommige anderen, maar wel afdoende om te merken dat het ‘grote denken’ vervangen was door het pragmatisch denken. Vervolgens las ik, weer een tijd later, Julie Zeh’s Speeldrift, waarin het nihilisme van Nietzsche verder wordt doorgetrokken. En in het boek dat ik gelijktijdig las, De wereld van Wolfe van Tom Wolfe, kwam Nietzsche ook al ruim aan bod. De interpretatie die Tom Wolfe aan Nietzsches denken gaf, was nieuw voor mij. Had Nietzsche daadwerkelijk het nationaal-socialisme en het stalinisme voorspeld? Het werd duidelijk tijd om het ‘grote denken’ weer aan te zwengelen. In plaats van Nietzsche zelf te (her)lezen, heb ik het mezelf iets makkelijker gemaakt. Je moet je hersenen per slot van rekening de tijd geven op stoom te komen. Dus kocht ik Nietzsche, een biografie van zijn denken, geschreven door Rudiger Safranski. Ik heb het boek inmiddels uit.

Het ‘grote denken’ is weer begonnen. Ik heb het gevoel dat ik Nietzsche nu veel beter begrijp dan ik ooit in het verleden heb gedaan. Is dat de blijdschap van de man die in concurrentie is met de jongere variant van zichzelf? De wraak op het gevoel van eerder toen ik mijn eigen scriptie herlas en schrok van een slimheid die ik nauwelijks nog als de mijne herkende? Of is het de dionysische euforie dat mijn hersens weer mogen denken? Over mijn (her)interpretatie van Nietzsche, waar ik dacht nu over te gaan schrijven, een andere keer. Eerst maar eens zwelgen in de blijdschap van het grote denken. O ja, en om aan te geven dat het niet eindigt met Nietzsche: ik heb de twee basisboeken voor mijn {–promotie–} inmiddels binnen:


Leren op school: leuk of flow?

april 2007

Mijn zoon Douwe zit in de eerste klas van het VWO-tweetalig onderwijs. Zijn inzet en zijn prestaties zijn uitstekend. Tot zover het goede nieuws. Waar ik echter zwaar teleurgesteld van raak, zijn de ‘opgeleukte’ opdrachten. Een stamboom voor het vak Frans? Oké, maar waarom moeten er foto’s van de familieleden bij gezocht worden? De geschiedenis van Hellevoetsluis bij Geology? Daar zal wel een reden achter zitten, maar waarom terug tot in de prehistorie? En wat kan internet je helpen bij deze opdracht??

Als ik zie welke tijd Douwe moet steken in het achterhalen van foto’s uit ons eigen archief of door naar niet-bestaande documenten op internet te zoeken, dan word ik niet alleen verdrietig, maar ook boos. Wat hij allemaal wel niet in dezelfde tijd had kunnen leren aan basiskennis die nu op de universiteiten nog aangeboden moet worden… Het verhaal achter de huidige serie in Intermediair, waarin redacteuren terug gaan naar de scholen van hun verleden, is ronduit schokkend. Universiteiten zouden in mijn beleving centra voor de nieuwsgierige mens moeten zijn, die studenten op basis van de aanwezige kennis tot nieuwe inzichten moeten brengen. Geen schoolse instituten waar met behulp van aanwezigheidsplicht en massale hoorcolleges hersteld wordt wat op de middelbare school is fout gegaan. En waarom gaat het fout?

Het is volgens mij het begrip dat op middelbare scholen verkeerd wordt ingevuld. Iedereen is het erover eens dat humor, het thema van deze maand van de filosofie, ongrijpbaar en subtiel is. Laat twee mensen dezelfde grap vertellen en bij de een is hij grappig en bij de ander niet. Leuk is ook zo’n ongrijpbaar fenomeen. Welke dingen zijn leuk? Voor wie kan tekenen, is een teken-opdracht leuk. Wie van muziek houdt, is blij met een muzikale uitdaging. Wie van wiskunde houdt, is blij met een wiskundige puzzel.Dus opnieuw de vraag: wat is leuk? Leuk is, als ik zo de opdrachten bekijk die Douwe krijgt, iets dat aansluit op de belevingswereld van de scholieren. Maar waar wordt wat leuk is, verzonnen? Precies, niet door de individuele scholieren, maar ergens in hoge torens.

Al sinds ik Douwe voorlees, en dat is nu zo’n 12 jaar, fulmineer ik tegen de verantwoorde leesboekjes van de educatieve uitgeverijen. Van Richard Scary tot de AVI-leesboekjes: wat een volstrekte belediging van de intelligentie en de fantasie van een kind. Ik weet dat anderen daar anders over denken, al heb ik dat nooit begrepen. Mijn punt is dat leuke, interessante dingen (meestal) niet bedacht worden door groepen die in een bureaucratische omgeving hun werk moeten doen. Leuk als criterium voor onderwijs is mijns inziens dramatisch! Leuk is een ingrediënt dat individuele docenten kunnen toevoegen aan het onderwijsmateriaal.

Om leerlingen te interesseren voor de lessen, moet je mijns inziens niet op zoek gaan naar een directe aansluiting op hun belevingswereld (lees hierover bijvoorbeeld ook Thomas Ziehe in de NRC), maar hen uitdagen met materiaal dat de flow stimuleert. Flow is een concept dat door Mihaly Csikszentmihalyi geïdentificeerd is. Flow is de mentale staat van je geest dat je krijgt als je helemaal opgaat in een taak. Mihaly Csikszentmihalyi en vele anderen hebben jarenlang onderzoek gedaan naar de flow en keer op keer is gebleken dat uitdagingen tot flow leiden als ze aan de bovenkant van je kunnen zitten. In een onderzoek naar de vraag waarom programmeurs aan open source projecten werken, bleek dit gevoel van flow de belangrijkste beloning te vormen. Dat ze in staat waren precies die taken op te pakken die ze het gevoel van tijd deden vergeten en waarbij ze volledig opgingen in de activiteit zelf. Als ik kijk naar Douwe (en nog denk aan mijn eigen goede momenten op school), dan zijn het de docenten en vooral de medescholieren die leuk of niet leuk zijn. De leerstof is pas leuk als ze uitdaagt. Wat je kunt leren van iets — dat is leuk. Niet dat je er foto’s bij kunt plakken.

Afhankelijk van je eigen mogelijkheden en talenten, vind je de ene opdracht leuker dan de ander. Niet omdat iemand bedacht heeft wat leuk is. Dus alsjeblieft: laat de stamboom zonder foto’s zijn. Maar zorg dat de stamboom naadloos aansluit op de reeds aanwezige kennis, zodat je de bevrediging vindt dat je de opdracht kunt uitvoeren en dat je er ook nog iets van hebt geleerd. Dat zijn de waardevolle momenten in iemands leven. Laat de docenten maar leuk zijn. Dat kunnen ze veel beter dan de opdrachten zelf!


Dood aan de gebruiker. Leve de technoïst!

maart 2007

De term gebruiker voor iedereen die werkt met computers is al jaren velen een doorn in het oog. Verslaafden zijn gebruikers, je gebruikt medicijnen, maar mensen die computers gebruiken, identificeren zich niet met het begrip ‘gebruiker’ of user. Is dit een probleem? Ja, als je wilt nadenken over de rol van de mens in de mens-computer interactie, maakt een label heel wat uit. Ik bedoel, de kracht van web2.0 zit niet in de techniek, die was er al lang, maar in de semantiek: een label dat de wereld door een nieuwe bril toont aan een grotere groep mensen. Een poos predikte ik het gebruik van het woord ‘participant’ of ‘deelnemer’, om aan te geven dat het vaak niet om het individuele gebruik gaat, maar om de interactie met anderen. Maar om eerlijk te zijn, dit begrip werkt alleen als het gaat om community sites als NABUUR.com of typische web2.0 sites als Watvindenwijover.nl.

De computer en het tijdperk waarin wij nu leven, vergelijk ik vaak met die van de auto-industrie. Ik heb nog vaak het gevoel dat ik met een slinger de computer aan het bedienen ben, zoals men in begin 20ste eeuw de auto nog moest starten. En hoe noemen we nu iemand die een auto gebruikt? Een automobilist. En iemand die een gitaar bespeelt, heet een gitarist. Dat bracht me op het idee om voortaan de term technoïst te reserveren voor mensen die moderne technologie gebruiken. Een goed idee? Ik zie uit naar reacties!


Onverschilligheid als troost

januari 2007

Prachtig interview met Rutger Kopland in de Volkskrant Bijlage van vandaag. Na een ernstig auto-ongeluk is zijn leven ingrijpend veranderd. Aan het slot van het artikel komt Kopland met een rake en herkenbare observatie over de bomen in zijn tuin, toen hij die voor het eerst weer zag na zijn ongeluk:

Die bomen staan er niet voor mij, die zijn er gewoon. Ze houden niet van me, hebben ook geen hekel aan me, ze zijn. Dat vond ik ontzaglijk ontroerend. Die liefderijke onverschilligheid troostte me. […] Zo zal het ook zijn als ik er niet meer ben. Dat is toch geweldig?

Ik herken de troost, maar vraag me af waar die troost in schuilt. Ik bedoel, onverschilligheid staat niet in de boeken voor jonge vaders en moeders als middel om een kind te steunen. Noch lijkt het me een troostrijke gedachte voor gelovigen. En toch… Ik denk dat ik er troost aan ontleen, omdat het mijn bestaan ontdoet van een verantwoordelijkheid. Wat ik doe, heeft geen invloed op de boom. Mijn enige verantwoordelijkheid, de enige keuze die de boom van mij vraagt, is of ik wel of niet wil genieten van de boom. Dat is een vraag die ik makkelijk kan beantwoorden.


  1. in: Harman (2009)

  2. Markus (2015): Why The World Does Not Exits, p.9

  3. In: Philosophy Now, April/May 2016, p.6-10